Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor plaggenstekcn en voor het inzamelen als brandstof van de gedroogde mest („too(r)t") *).

De ouderdom van dezen toestand laat zich tennaastebij bepalen doordat binnen de mieden de klei zoo goed als geheel*) ontbreekt en daarbuiten, aan den zuidkant, onmiddellijk en rijkelijk voorhanden ligt.

Dit wijst erop, dat deze dijkjes zijn (en moesten worden) aangelegd, toen de Waddenzee tusschen Ameland en Friesland ontstond, dus in de dertiende, veertiende eeuw.

Van den vroeg eren toestand, waarin Ameland nog vastzat aan Friesland, spreken, voorzoover mij bekend, oude archiefstukken, tot Ameland betrekkelijk, niet; maar een hoogst enkel der, voor later overvloedige, amelandsche archivalia reikt tot in de 15e eeuw. Wèl gewaagt de overlevering ervan en ook één geografisch gegeven: het zgn. „Anjumer padje", dat

Duin

Wadden

Fïg. 4.

bezuiden de Ballumer miede in de Wadden doodliep, maar, doorgetrokken op de kaart, leidde recht naar Klooster Anjum bij Menaldum;

*) Hetzelfde woord is in gebruik te Midsland op Terschelling, zie Daalder in Vragen van den Dag 1912, bL 928, en voor gedroogde schapenmest op Texel; op Schiermonnikoog spreekt of sprak men van „schienjild", zie Winkler Prins in Neder» land 1867 KI bl. 73; op Wieringen onderscheidt men „tarlen" (gedroogde schapen» mest) en „broete" (gedroogde koemest), vgL Allan, Het eiland Wieringen en zijne bewoners; herdruk Wieringen 1911; bl. 45; op de Halligen spreekt men van „Schole" of „Scholle", zie Traeger, t.a.p. bl. 65; ook op Sylt is het meststoken nog in zwang (schriftelijke mededeeling van den nog nader (zie beneden bl. 68) te citeeren dr. Julius Chrtstiansen te Leek).

9) In dé „vive", een stuk midden in de westermiede van Hollum, boorde ik klei aan op 1 a 1% meter diepte. 54

54

Sluiten