Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makende dijk zullen hebben tot dat gemaakt is en gemaakt zijnde zal alsdan over de geheele egh wederom verdeelt worden", en Art, 12 van het als afschrift in mijn bezit zijnde door den grietenij-raad in 1837 vastgestelde reglement luidde: „De omdijking der gescheurde gaten zal gemeenschappelijk door den Boerenstand betrekkelijk ieder dorp geschieden, het verloren land zal door de(n) Eigenaar(s) der in en aangrenzende Eggen gemeenschappelijk geleden worden".

Blijkbaar hechtte men aan het vaste cijfer 576 (waaraan dan ook heel de indeeling van land en dijkplichtigheid hing!), maar moest dan wel bepaalde l/576en verkleinen naarmate op bepaalde plaatsen afslag had plaats gevonden, wat uiteraard niet gelijkmatig ging.

Behalve de verdeeling in 576 achtendeelen kenden voorts beide dorpen een verdeeling in een veel kleiner aantal „eggen" (3 bij Ballum en 6 bij Hollum).

Zoomin een achtendeel als een eg was een aaneenliggend stuk land; beide lagen in regelmatige versnippering1). Ook zoo de gelegenheid er was, werd (en wordt nog in Hollum) nooit aaneenliggend land van verschillende achtendeelen samen verkocht; slechts de uiteenliggende maar ideëel saamhoorige stukken van eenzelfde achtendeel.

Elk der mieden werd, zoodra de oogst binnen was, gemeene weide (de „vrijgang"). In Hollum is dit nog het geval.

De mieden — waarin met het hooiland het bouwland lag — zijn vergelijkbaar met de drentsche esschen. Hoever deze vergelijkbaarheid strekt, kon ik niet te weten komen *). Dat men ook in die esschen verspreide ligging kent, is wel zeker. Een poging van den heer G. J. A. Mulder in den Nieuwen Drentschen Volksalmanak van 1921 om door het publiceeren van vragen precieze gegevens te krijgen over al dan niet gelijkenis met Hollum en Ballum leverde geen resultaat op.

Dit is te betreuren, ook omdat mogelijk langs dezen weg licht had kunnen schijnen over de historische twistvraag of er een tijd is geweest, waarin de drentsche esschen periodiek werden herdeeld, gelijk ontwijfelbaar met de west-amelandsche mieden het geval is geweest.

De vastgelegde indeeling immers der mieden op Ameland is de lijnrechte afstammelinge van de periodieke herdeeling dezer landen, die tot 1770 in

]) Zij deden dit al lang. In Februari en Maart 1765 wordt (blijkens de Procla» matieboeken van Ameland 1763—1783, Rijksarchief Leeuwarden) een achtendeel in Munks>eg onder Ballum verkocht „bestaande in vijf differente stukken".

*) Zie beneden bl. 76 v. 56

56

Sluiten