Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dijkplichtigheid in Ballum heeft een bewogen geschiedenis. Zee en mensch beiden hebben er ingegrepen.

Zij hing, als reeds gezegd, met het gebruik van achtendeelsland in de miede nauw en onmiddellijk samen1). Niet echter in dezen zin, dat noodzakelijk het naastliggende land den dijk onderhield 2); men kon zijn stukken land om west, zijn „dijken" misschien wel om oost hebben. Maar het verband was gegeven in de reeds vermelde formule van „zooveel stuks land, zooveel stuks dijk" *), die den toestand beheerscht heeft tot ± 1890, toen in Ballum een hervormer is opgetreden.

De toestand van + 1890, tot de inpoldering van 1914, die het onderhoud van de miededijken overbodig maakte, was deze:

Het dijkje was in 576 perceelen verdeeld, met een indeeling in drie klassen naar gelang van het watergevaar, dat natuurlijk bij de naar den wadkant gekeerde zuiderdijken het ernstigst was.

Elk achtendeel land had één zoo n perceel voor zijn rekening.

Onpractisch en omslachtig, is iemand licht geneigd te zeggen. Hij zou onrecht doen aan het stelsel en zijn schepper, Jan Bakker, oud-gezagvoerder ter koopvaardij, daarna boer en landontginner te Ballum, die het in het begin der jaren negentig van de vorige eeuw, toen hij met Barend Nobel en Simon van der Meij „opziener van den boerenstand" (marke-rechter) voor Ballum was, in de plaats wist te schuiven van het oude stelsel.

Dat oude stelsel laat zich uit oude dijkboekjes nog geheel opbouwen. Ieder vond er, naarmate zijn land in de miede versnipperd lag, in den dijk de te zijnen laste komende perceelen; men telt er uit die boekjes gemakkelijk een 2000 bijeen4). Dit stelsel was door zijn ingewikkeldheid tot een

*) Vgl. de verdediging tegen den Usel in de mark van Eschede „nae waertall", zie Sloet's Geldersche Markerechten (in Oud»Vaderlandsche Rechtsbronnen); Den Haag, 1913; II bl. 193 sub 1.

2) Zooals in de maalschap van Someren, Harseier en Wixeler „een yegelyck siin beeckdiick aen siin lant" had, zie t.z.p. I bl. 209 sub 3.

') Wellicht bestond een soortgelijk versnipperde dijkplichtigheid in Zalne; hier althans stonden in 1574 19 dijksperceelen, alle van uiteenloopende grootte, ten name van vier dijkplichtigen, van wie twee elk 3, één 4 en één 9 (doorgaans niet aaneen; liggende) perceelen hadden (Overijsselsche Stad», Dijk» en Markerechten; Zwolle, 1875; dl. III, 8ste stuk, bl. 11 v.).

') Dat voor de versnippering in de Ballumer miede — dus in het land — wel het cijfer 4000 wordt opgegeven (bij Hollum schat men het op 5 a 6000) komt ten eerste doordat hier ook het omland meetelt, ten tweede doordat deze opgaaf is van jongeren datum. Er waren stukjes bij van een paar el breed en niet veel langer. Dijkstra geeft (bl. 29 van zijn Badgids) een gemiddelde breedte van 5 tot 8 bij een lengte van 10 tot 150 meter op. Dit is te rooskleurig, verzekerde mij mijn oude vriend Simon van der Meij, geboren en getogen ballumer boer, aan wien (met Kees en Douwe Klip) ik wel het meeste van mijn kennis aangaande Ballum te danken heb.

61

61

Sluiten