Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij Assen zéér wisselend op 43 tot 117 M. diepte. Onder Peize is reeds sprake van grof zand en grint op 9 M. diepte.

In 't algemeen helt de bovengrens dus Zuid-Noord. Daaruit blijkt tevens het ontstaan door uit het Zuiden komende wateren. Toch vertoont die bovengrens groote hoogteverschillen, die nog niet afdoende verklaard kunnen worden.

In dit praeglaciale grint vindt men hier en daar brokjes van noordelijke afkomst. Ze komen op verschillende diepten voor. Ze zijn in de meeste gevallen afgerond of afgevlakt, een bewijs, dat ze aangevoerd zijn door water uit het Noorden.

Daarboven komen fijnere sedimenten voor. In het Zuiden zijn deze het minst dik, naar het Noorden meer, echter met groote verschillen. Bij Assen, onder het Looner Veld, hebben ze een dikte van 110 M.l Dit zand is vaak zeer glimmerrijk en wisselt soms met leemlenzen af. Deze „potklei" is niet altijd zwart, maar kan ook bruin en grijs zijn. Ze heeft soms een groote dikte, zooals aan den Beiier Weg bij Alink: 61 M. Soms komt ook veen voor, zooals te Gasselternijeveen en Z. Barge, Assen en Erica.

Op dit fijne lagen-complex ligt de keileem of zijn verweeringsproduct, het keizand. Het is, volgens Jonker, aangebracht door een „ouderen WestBaltischen" en een „jongeren Oost-Baltischen ijsstroom". De dikte er van is zeer verschillend en bedraagt bij Zuidlaren bijv. slechts 1 M. (Zie fig. 2.) Waarschijnlijk ontbreekt hij in een gedeelte van den Bisschopsberg. Merkwaardig is ook het ontbreken ervan in een gebied ten Oosten van den Hondsrug. Het keileemdek is daar met een gedeelte van de praeglaciale lagen tot een diepte van ± 30 a 40 M. weggeschuurd. Men vindt daar nog slechts de min of meer afgeronde steenen, vergezeld van enkele zuidehjke. Daarboven hgt fijn zand en, op een diepte van ± 20 M., klei, humeuze klei en veen, oo* zeeafzettingen. We hebben hier dan ook waarschijnhjk te doen met een rivier, die eerst uitschuurde, daarna afzette, terwijl in den mond de zee naar binnen drong. Spoedig daarop werd het zeewater weer teruggedrongen en had ophooging door rivierzand plaats. Marine vormingen komen zuidwaarts voor tot De Groeve (Zuidlaren).

(Dit is de meening van Steenhuis; Blaupot ten Cate wil hier aan een slenk denken).

Het geheel vormt thans het Drentsen plateau: een grondmoreene-landschap, over verschillende gedeelten nog bedekt met fluvioglaciale zanden; hier en daar, waar de bodem een min of meer onregelmatig reliëf vertoont, draagt hij het karakter van smeltwaterruggen. Het tegenwoordige reliëf

169

Sluiten