Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoonte, dat men eerst den dag vaststelt, waarop de oogst zou mogen beginnen. Zelfs werd daar gedurende één of twee dagen gemeenschappelijk koren gemaaid en ingehaald voor den scheper. Als het koren geoogst was, keerde het gemeenschappelijk gebruik van den bodem terug. Dan hadden de boeren het recht, vee en varkens op den esch te drijven. Een merkwaardig voorbeeld, hoe lang een oud recht kan blijven bestaan! Immers in een resolutie van Ridderschap en Eigenerfden van 1 Maart 1636 stond: „Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen, zoolang in de groote buurtschappen drie en in de kleine twee verscheiden lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit."

In dien tijd hadden de boeren natuurlijk mest noodig, die zij verkregen van het vee, zoowel van de koeien als van de schapen. De veeteelt stond in dienst van den landbouw. Het stroo van de rogge werd gedeeltelijk in de potstallen, waarin de koeien zich 's nachts bevonden, gebruikt, terwijl in de schapenhokken meest heideplaggen werden gebezigd. Om maar meer mest te krijgen, werden koeien en schapen 's avonds weer naar stal gedreven of werden de schapen, telkens op een ander deel van den esch, ingeschaard en werd het land aldus bemest. Thans is dit zoo goed als afgeloopen. De heideschapen zijn grootendeels verdwenen, „herders" komen bijna niet meer voor, de „beesten" (koeien) blijven 's zomers veelal op de groengronden en de melkwagentjes, met honden bespannen, zijn 's morgens en 's avonds een gewoon verschijnsel geworden.

Bij de uitbreiding van de bevolking der marke, die zoo geheel op zich zelf aangewezen was, moesten öf de bouwlanden uitgebreid worden, óf moest de cultuur meer intensief gedreven worden. Nu waren er in het Archief te Assen kaarten aanwezig, die gemaakt waren ten behoeve van een grondschatting op de onroerende goederen, waartoe de Landdag van 16 Februari 1630 besloten had. Met behulp van de tegenwoordige kadastrale kaart, waar zoo goed als dezelfde indeeling der esschen op bleek voor te komen, konden de verschillende secties van de grondschattingskaarten ineengelegd worden en de uitbreiding van de esschen van Balloo, Loon, Grolloo, Rolde en Deurse worden nagegaan. Ik vergeleek die met den toestand omstreeks 1840. toen in Drente nog geen sprake was van kunstmest. Voor zoover was na te gaan, bleken de esschen weinig of niet in die 200 jaar te zijn uitgebreid, hetgeen ook klopte met de mededeelingen van oude ingezetenen, naar wier oordeel gevraagd was. Voor zoover de herinnering reikte (en deze is vooral bij oude Drentsche boeren al heel groot, daar vroeger aan den haard de oude verhalen en gebeurtenissen steeds weer werden opgehaald), was van groote uitbreiding geen sprake. 194

Sluiten