Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleining. Dit is een gevolg van de in aanleg aanwezige neiging tot splijting naar verschillende vlakken, juister stelsels van evenwijdige vlakken. In de eerste plaats komt hier bij sedimenten het laagvlak in aanmerking, dan stelsels van lithoklazen (of diaklazen), die met het laagvlak verschillende hoeken maken. Lorié spreekt meer algemeen van „latente klievingsvlakken". Bij de tamehjk fijn-gelaagde kiezelschalies (lydieten enz.) vormen het laagvlak en twee diaklaas-stelsels onderling nagenoeg rechte hoeken, zoodat de lydietkeitjes vooral ongeveer ter grootte van een noot voorkomen in de gedaante van een parallelopipedum. Bij de gewone dichte kwartsieten, waarbij de kantigheid opmerkelijk veel voorkomt, is de gelaagdheid in den regel grover aangeduid; waarschijnlijk in verband hiermede zijn ook de khevingsvlakken naar stelsels diaklazen verder van elkander verwijderd en snijden ze het laagvlak onder verschillende hoeken. Bij kwartsitische gesteenten treedt de daaruit resulteerende kantigheid bij voorkeur te voorschijn aan rolsteenen, welker grootte de gebruikelijke maat van een vuist nabijkomt.

In andere gevallen zijn de latente khevingsvlakken op te vatten als synklazen (Icrimpscheuren), of wel ab druksplijting. Zeer terecht merkt Lorié in dit verband op: „Men kan zonder veel overdrijving zeggen, dat er in de wereld geen vast gesteente voorkomt, dat niet de eigenschap der khefbaarheid bezit, zij het dan ook soms in geringe mate."

De geschiktheid tot het leveren van kantige rolsteenen is vooral aanwezig bij die gesteenten, die vooreerst een tamehjk grove gelaagdheid bezitten en welker elastische eigenschappen bovendien zoodanig zijn, dat daarin opgewekte spanningen aanleiding geven tot het ontstaan van meerdere stelsels van khevingsvlakken, die elkander en tevens het laagvlak snijden. Bij een bepaalde verhouding tusschen de verschillende in aanmerking komende factoren behoort een bepaalde grootte, waarbij de kantigheid bij voorkeur te voorschijn treedt.

Bij grootere erratische blokken van stollingsgesteenten vindt men niet zelden een vorm, die een zeer platte kegel met bol grondvlak nadert. Het kegeloppervlak vertoont dan vaak een meer of minder duidelijke kantigheid door drie stompe ribben. Ik zie hierin door botsing ontstane fragmenten van nog grootere blokken, botslichamen, gemodificeerd door de aanwezigheid van latente khevingsvlakken (in dit geval Icrimpscheuren).

Bij Escher *) lees ik het volgende, dat mijn betoog kort weergeeft: „Maar wij mogen niet vergeten, dat oorspronkelijk de steen reeds facetten bezeten

*) De gedaanteveranderingen onzer aarde. Wereldbibliotheek 1916, blz. 121. 330

Sluiten