Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook wat betreft de onderzeesche oeververdediging. Gevolg van deze kostbare verdediging zijn de calamiteuse polders, waarvoor verwezen wordt naar 't artikel (met kaart) van Schuiling in 't Tijdschrift K.N.A.G. 1917. Zuid-Beveland heeft ook thans nog 4 calamiteuse polders, n.1. den Oost-Beveland polder, den Willem Anna polder, den Zimmerman polder en den Borsele polder; een verzoek van den laatsten om op te houden calamiteus te zijn, is niet ingewilhgd. Veel land is dus verloren gegaan, soms voor goed, soms tijdelijk, teruggewonnen na jaren gedreven te hebben, rijdende geweest te zijn, voor eb en vloed gelegen te hebben, bezouten te zijn geweest.

Nooit heeft grooter ramp Zuid-Beveland getroffen dan de stormvloed op 5 November 1530, St. Felixdag, het begin van het einde der ongelukkige stad Reimerswaal.

Deze eens zoo schoone stad Reimerswaal of Remburswale of Rommerswale — men zie b.v. de platen in Smallegange — was na 1300 vooral snel opgekomen door drukke zoutnering en levendigen handel.

Wat de veenlagen, darg of darink, het selbernen of cornekoten, het bedrijf der pannemannen betreft, moeten we alweer volstaan met een verwijzing naar bovengenoemde handleiding „Aan de WesterSchelde".

De stad was in 1374 door Albrecht „begraven", d.w.z. had het recht van bemuring gekregen, en was een grafelijke of goede stad, d.w.z. met invloed op de regeering, derde in rang der Zeeuwsche steden na Middelburg en Zieriksee. Behalve door twee vrije jaarmarkten werd de rijkdom der stad geschraagd door een Donderdagsche markt, met stapelrecht begiftigd voor waren, die tusschen Brabant en Zeeland verkeerden. De voorspoed bracht bij de inwoners van Reimerswaal zooveel „dertelheid" teweeg, dat ze in 1454 zich tegen de Regeering durfden verzetten; maar ze werden door den stadhouder Karei van Bourgondië begenadigd, dien ze „bersbeens, blootshoofds ende in heur hemde" tegemoet moesten treden.

Reeds de St. Elisabethsvloed in 1421 had aan de dijken groote schade toegebracht, maar 'tlot der Zuidhollandsche Waard had de zorgelooze bevolking niet gewaarschuwd. Een brand in 1520 veroorzaakte groot nadeel, maar gevaarlijker vijand nog dan 'tvuur bleek weldra het water. Bij den N.W. storm van 5 Nov. 1530 bezweek de dijk bij Lodijke. Beweerd wordt, dat de Heer van 't kasteel Lodijke zich niet haastte, 't gat te dichten, omdat hij meende op goedkoope manier een diepe haven te krijgen; sedert is deze diepte bij de schippers als 't Gat van Lodijke bekend. Heel het land overstroomde en wat eens de Oost-Watering is geweest, heet thans grooten360

Sluiten