Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

Balthazar Bort op de tocht naar China in 1662 vergezelden als gezanten der Compagnie naar den onderkoning derFukien-provincie.

De derde poging in 1666 werd geleid door Pieter van Hoorn aan wien „als eersten Raad des Gezantschaps" de bovenvermelde Nobel toegevoegd was. De missie, welke van de havenstad „Hockseu" (het tegenwoordige Foochow, hoofdstad der provincie Fukien) vertrok, kwam zes maanden later te Peking aan. Ofschoon goed ontvangen kon zij toch geen tastbare voordeden behalen.

Een vierde poging werd door Batavia gedaan, toen het in 1685 een gezantschap naar Peking zond met Vincent Paats aan het hoofd vergezeld door Jóhannes Leeuwenson en Louis de Keyser, welke echter geen verandering vermochten te brengen in de toenmalige handelsvoorwaarden.

Het vijfde en laatste gezantschap door de Oost Indische Compagnie naar Peking gezonden had plaats in 1794 en 1795 op raad van Van Braam Houckgeest, toentertijd hoofd van onze factorij te Canton. De Raad van Indië, Isaac Titsingh, trad als chef der missie op met Van Braam als tweede afgevaardigde. Zij vertrokken tegen het einde van 1794 van Canton, deden de reis over land dwars door China, en kwamen in Januari van het volgende jaar te Peking aan, na een tocht van zeven weken. Ook ditmaal werden geen of slechts geringe resultaten bereikt.1) Deze zending was de laatste Ambassade naar den Keizer van China tot het jaar 1873, toen de Nederlandsche vertegenwoordiger, tegelijk met de gezanten van Engeland, Rusland, Frankrijk en Amerika zijn geloofsbrieven den Chineeschen Keizer in persoon aanbood. (Op deze audiëntie komen wij later terug).

De Spanjaarden waren reeds in de Philipijnen met Chineezen in aanraking gekomen, maar bemoeiden zich weinig met het vasteland en de regeering in China.

De Franschen en Amerikanen hebben geen ambassades naar Peking gestuurd gedurende de tijden, dat de Hollanders en Portugeezen daar vasten voet poogden te krijgen.

De Bussen, daarentegen, zonden verscheidene gezanten, waar-

1) Een uitvoerig verslag over deze ambassade vindt men in „Voyage de 1'ambassade de la Compagnie deslndes Orientales hollandaises vers 1'Empereur de Ia Chine, tiré du Journal d'André Everard Van Braam Houckgeest, publié par L. E. Moreau de Saint-Méry. (Philadelphia, 1797). Een andere uitgave is gedagteekend Paris, 1798.

Sluiten