Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42

favour" 1), of, zooals deze schrijver elders zegt: „If therefore a dispute „occurs between a territorial sovcreign and a foreign power as to the „extent or nature of rights enjoyed by the latter within the „territory of the former, the presumption is against the foreign „state, and upon it the burden lies of proving its claim beyond „doubt or question" 2).

VI. Het Recht van het verkrijgen van Onroerende Goederen.

Wij beginnen onze beschouwingen hier weder met de bepalingen van het Nederlandsche Verdrag. We vinden daar in Artikel II, met betrekking tot de havens door China voor den handel opengesteld, dat Nederlanders „genieten er het volle regt van verblijf, „huur en verhuur van gronden en huizen, aanbouw van woon- en „pakhuizen, kerken, hospitalen, begraafplaatsen, enz. De grondmuren zullen naar billijkheid en zonder afpersing worden vastgesteld". De meeste tractaten door China met buitenlandsche mogendheden gesloten bevatten eene dergelijke bepaling in ongeveer dezelfde bewoordingen. De positie tegenwoordig is, dat de vreemde kooplieden het recht van het verkrijgen van grond hebben^slechts in de havens, die voor den handel opengesteld zijn. Voor zendelingen is dit privilege tot plaatsen in de binnenlanden uitgebreid. In beide gevallen wordt het recht uitgeoefend in den vorm van eeuwigdurende huur: het verkrijgen van land in eigendom is niet mogelijk voor een vreemdeling.

Nieuwe eigendomsbewijzen, de z.g.n. „fang-tans" werden door den District-Magistraat van Shanghai voor al het land in het door hem bestuurde district uitgegeven in het vijfde jaar van de regeering van Hsien fêng (1855). Deze documenten zijn voorzien van een aanteekening te kennen gevende, dat zij de plaats innemen van de vorige eigendomsakten uitgereikt in het acht en veertigste regeeringsjaar van Chien lung (1783), die niet meer geldig waren. Geen verdere uitgifte van nieuwe akten is op die van 1855 gevolgd, welke dus nu nog de gebruikelijke eigendomsbewijzen voor land in het district van Shanghai zijn. Wat betreft het reeht, toe te passen in geschillen betreffende

1) Hall: A treatise on the Poreign powers and jurisdictiën of the British Crown, (Oxford, 1894) blz. 135.

2) Hall: A treatise on International Law, 8th Ed. (Oxford 1924) blz. 204. Zie ook Fauchille, Traité de droit international public, I (Paris, 1922) blz. 676

en Oppenheim, International Law, I (London, 1920) blz. 864.

Sluiten