Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen algemeen-menschelijken trek openbaart zich de algemeen-menschelijke onvatbaarheid voor het wezenlijk begrijpen van totaliteit en continuïteit, wat hij zich hieromtrent ook inbeelde.

Naast het onafhankelijk handelen in den mensch, het onbelemmerd oordeel, m.a.w. naast de fictie van de wilsvrijheid, de analoge fictie van de oordeelsvrijheid, van de objectiviteit. Een richtig Eenheidsbesef begrijpt elk oordeel als een zelfbeschouwing (of zelfschuwing) des Absoluten, op zijn zuiverst dus een relatief en functioneel oordeel, doch ook hier, als overal, triomfeert de Levensdrift: De waan van het objectieve, vrijmachtige oordeel houdt ook hen bevangen, die meenen ervan bevrijd te zijn.

Vrije Wil, Onsterfelijkheid, Objectiviteit en Causaliteit, eenerzijds de hoeksteenen van de theologie, anderzijds de grondslagen van de positivistische wetenschap, vertoonen zich hier als vier zijden van denzelfden Waan, van den Ik-waan, in elkeen als inblazing van den Levensdrift de vonk der Rede doovend. In elkeen. Want zich van deze wanen voor een oogenblik moeizaam te kunnen bevrijden, door ze even „wegte-denken", beduidt niet, zonder hen te kunnen bestaan. Niemand roert zich buiten deze fundamenteele dwalingen. In het taalgebruik zijn ze opgenomen, in het oordeel verweven, ons bloed heeft ze verteerd, ze maken een immanent, een onafscheidelijk deel uit van eiken mensch. Op het oogenblik dat hij ze door de voordeur uitwerpt, trekken ze door de achterdeur weer binnen, ze kleven hem aan als het leven zelf, immers ze zijn het leven zeE Alleen door te zwijgen kunnen we beletten dat ze onze redeneeringen vervalschen, alleen door te verdwijnen, dat ze ons denken vertroebelen. O waan, die voor menschen de „Zuivere Rede" in het uitzicht stelt. Maar dit onderscheid blijft tusschen den voor de Rede geslotene en den voor de Rede toegankelijke: voor den eersten maakt dat complex instincten, verlangens, illusies, Geloof en Hoop, al die inblazingen van den Levensdrift de basis uit van zijn Levensbeschouwing („Sir, we know our will free....")

2

17

Sluiten