Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II

De strijd tusschen Rede en Levensdrift laat zich ook op andere wijze beschouwen. Levensdrift is distinctiedrift, de Levensdrift wil de onderscheiding. Onderscheiden echter is opheffen. De Levensdrift wil het opheffen niet, wil derhalve het onderscheiden niet. Het onderscheiden niet, maar de onderscheiding wel, de onophefbare distinctie, het Absurde, het Dogma. Dogma is hier niet in den kerkdijken of politieken zin op te vatten, dogmatisme is eigenlijk niets dan: vanzelfsprekendheidsgevoel. En als zoodanig speelt het in de levens ook van hen die zich redelijk wanen, een nauwelijks minder machtige rol dan in die der redeloozen. Niemand kan dat bij zich zelf uitroeien, want niemand kan het waarnemen, immers zien is onderscheiden en onderscheiden is opheffen. De misleidingen van het vanzelfsprekendheidsgevoel omvatten vooral de in het vorige hoofdstuk opgesomde dwalingen. De Levensdrift wil wel de onderscheiding, maar niet het onderscheiden; in den van de rede verstokene woont dan ook de machtigste distinctiedrift naast een volmaakt tekort aan onderscheidingsvermogen. Het onderscheidingsvermogen maakt onderscheid, bij voorbeeld wat den mensch aangaat, tusschen een persoon en zijn naam en zijn kleedij, tusschen bezit en bezitter, tusschen aanzien en verdienste, tusschen daad en motief. Waar onderscheidingsvermogen ontbreekt, worden deze onderscheidingen niet gemaakt. Daar worden trouwens nimmer onderscheidingen gemaakt (gecrëerd), doch bestaande groepeeringen en rangschikkingen als vanzelfsprekend aanvaard. Het redelijk onderscheiden richt zich op het onderscheid tusschen het essentieele en het incidenteele, tusschen het toevallig zich tezamen bevindende en het wezenlijk tezamen behoorende. Motief is bijvoorbeeld essentieel, handeling is incidenteel. Op een andere wijze gezien, kan handeling weer essentieel heeten, daartegenover staat dan gevolg als incidenteel. In deze gebieden beweegt zich het onderscheidingsvermogen, dat de zelf-onderschei-

21

Sluiten