Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Rede wordt alleen in den vorm van een beschuldiging, niet in dien van een verzuchting, toegegeven. Geen mensch komt openhartig voor zijn „gezonde zotheid" uit, tegen de Rede weert men zich slechts door haar verdacht of belachelijk te maken. Het absurde kan derhalve nimmer in zijn ware gedaante worden gediend. Hier heerscht de Zelfvermomming souverein.

Deze noodzakelijkheid der zelfvermomming, uit het aanzijn der zelfweerstreving, heeft dan ons geestelijk bestaan tot een immensen chaos gemaakt, een samenweefsel van dwaling en verdwazing, „A vast system of things hidden, things misunderstood, things misrepresented", waarin we alleen leven kunnen, door de onuitroeibare kracht van het vanzelfsprekendheidsgevoel, door het bijna volkomen ontbreken van wezenlijk onderscheidingsvermogen, door een critiekloos zelfvertrouwen en een zelfverzekerdheid, waarvan men de bronnen moet hebben onderzocht, om te weten, hoe ongegrond ze zijn en die men nochtans slechts in zeldzame oogenblikken van zich afschudden kan, daar ze door den Levensdrift zelf zijn opgewekt. Drommen van spotvormen en schijngestalten verwarren het oog, verdwazen den geest. In alle gebieden zijn ze op te sporen —, doch de vraag waartoe ik mij op dit oogenblik beperk, is deze: Welke rol spelen de uit het begrip der zelfvermomming voortvloeiende dwalingen in wat omtrent Taal als vanzelfsprekend gangbaar is? Hoe openbaart zich op dat terrein de strijd tusschen Rede en Levensdrift, de verstrikkingen van den Ik-waan, de eeredienst van het als „ideaal" vermomd belang, het onvermogen om te (onderscheiden, dat de foutieve groepeering en de bizarre associatie baart, kortom alles dat in het voorafgegane uit een en hetzelfde begripsdefect bleek afgeleid te kunnen worden?

De volgende hoofdstukken zullen een poging zijn, op deze vraag het antwoord te geven.

36

Sluiten