Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

210

machtig aan en dringen er in door als „Goede Dood" —, anderen apen hem na, en weldra zijn fijnzinnig en voortreffelijk, hartig, tonig, sappig, kostelijk, smeuig, kindvrouwtje, vraagoogen, gedoe, beweeg, bijzonder en beminnelijk opgeborgen in het cliché-arsenaal van de provinciale pers. Voor een jaar of twintig werd, tegenover den lijzigen verteltrant die noodzakelijk steeds met een inleiding moest beginnen: „Op een mooien dag in het midden van April" — het met de deur in huis vallende „'t Gebeurde zoo...." gebruikelijk, dat toen frisch en spontaan aandeed. Ook dat is sinds lang bijgezet op het kerkhof der doode woorden. Het associeert zich alsdan met het banale, het vulgaire, het gedachtelooze even onverbrekelijk als „kennelijke staat" met dronkenschap, en „verzekerde bewaring" met gevangenschap. De dichter nu zal geen diamanten in „verzekerde bewaring" laten brengen, anders dan in scherts, want hij weet dat hij, door de hardnekkigheid der bizarre associatie, met die woorden het visioen van de gevangenis oproept. Daarom mijdt hij die uitdrukking, waar evenwel op zich zelf weer niets tegen is. Even zeker als „hors d'oeuvres" naar sardines ruikt en „mokka" naar koffie, even zeker is er aan „beslist" het vulgaire parfum van de bioscoop en rieken „kostelijk" en „voortreffelijk" naar het muffe, kleinsteedsche redactiebureau. Op dit oogenblik. En uitsluitend om die associaties zal de dichter ze moeten mijden, daar hij nogmaals en nogmaals alleen er naar streeft, om ongestoord en onverhinderd zijn fijnst onderscheiden-innerlijk wezen, zonder schokken aan den lezer te openbaren. Zoo wordt hij dus in zijn woordkeus geleid door twee beginselen. Ten eerste vermijdt hij het ; noodeloos opzichtige, het excentrieke woord, omdat het jfl verwachtingen opwekt, die niet vervuld kunnen worden en daardoor storend werkt.1) Ten tweede vermijdt hij het „afgezaagde" woord, omdat het, of niet vermag, den voor dien klank afgestompten lezer de ziel van den dichter binnen te voeren, öf wel als een onaangename

') Ik noem nog het geval van den criticus, die Maupassant een .succulent" verteller noemt, om het afgezaagde „sappig" te vermijden. De lezer stuit op het vreemde woord, vertaalt het, bemerkt dat het... sappig beteekent, en voelt zich natuurlijk gehinderd door den humbug.

Sluiten