Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

218

is ons reeds onbekend, wij kunnen het plat-alledaagsche niet van het simpel-verhevene onderscheiden en alleen de „preconceived idea", dat die „Neef van Cats" toch wel niet veel zaaks zal zijn, doet ons op onze hoede wezen. Men kan aannemen, dat wat uit de middeleeuwen tot ons gekomen is, behoort tot het beste van wat toen geschreven werd, omdat kunst alleen onder „gewapend geleide" door de eeuwen heen gevoerd kan worden, maar wat ons zelf betreft: de „preconceived idea" treedt ook hier op als misleidende schijn van een oordeel, dat niet mogelijk ware. Geldt het nu levende en gangbare talen, dan kan de oplettende begaafde zeer zeker tot eenig, zij het dan ook geen onfeilbaar, inzicht in de „koerswaarde" der woorden en daardoor tot een oordeel over literaire schoonheid komen. Voor de doode talen is dit onmogelijk. Hier heerscht, gelijk gezegd, sinds eeuwen enkel en alleen traditie en traditioneele_sugqestie, geen ander oordeel dan de „preconceivecTidea . En daarom klinkt dan ook dat praten over de „mooie taal" van Homerus en Plato zoo onuitsprekelijk zot in de ooren van iemand, die er zich wezenlijk rekenschap van heeft gegeven, waar de waardeeringen „mooi" en „leelijk" in taalgebruik en literatuur mee samenhangen en hoe zeer, in verband daarmee, het oordeel buiten een zeer engen kring van tijd en plaats alreeds onmogelijk wordtl Zoo laat zich dan ook in dit gebied het fundamenteele begripstekort gelden. De immanente drang, om te begrijpen en te onderscheiden, wordt weerstreefd door de onmacht, om richtig te onderscheiden, waarin Levensdrift triomfeert over Rede, en die ook dit deel van het taalprobleem heeft gemaakt tot een chaos van misleiding en begripsverwarring, „onstoffelijk gezichtsbedrog", in de noodzakelijkheid waarvan zich de noodzaak en de beteekenis der Zelfvermomming openbaart..

Sluiten