Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

nut hem op zijn verdere zwerftochten te volgen. Door zijn afgeslotenheid miste hij de kracht en den lust om zijn beginselen in de gemeenschap uit te dragen. Eén belangrijk besluit valt nog vast te leggen. Te Herford, waarheen zij uitgeweken waren werd het besluit genomen, voortaan in gemeenschap van goederen te gaan leven, zulks alweder op het voorbeeld der eerste Christenen (IX, 427). Voor velen was dit een groot offer. Onder zijn volgelingen behoorden zeer vermogende lieden. Men denke slechts aan de drie freules van Sommelsdijk en Anna Maria van Schu(u)rman, die in haar boek „Eucleria" het leven der secte zoo piëteitsvol heeft beschreven. Verder behoorden nog tot haar Louis Huygens uit Rijnsburg, Emilie van der Haer en juffrouw Martini, allen aanzienlijke burgers. Maar ten volle waren zij bereid de goederengemeenschap te aanvaarden. Eén oogenblik scheen de blijdschap over deze nadere schrede tot het leven der eerste Christen-gemeente om te slaan in de overdreven uitspattingen die wij onder de Wederdoopers zoo goed kennen. De Labadie aanvaardde zelfs het geestelijke huwelijk. De zuiverheid der beginselen overwon echter, zooals wij zien uit het latere leven der secte op het Waltha-slot in Friesland. De Labadie mocht echter dit verblijf niet meer beleven. Hij stierf te Altona, 64 jaar oud. Zijn opvolger werd Pierre Yvon, een krachtig leider, die de afgeslotenheid der secte verbrak. In Friesland bereikte de secte haar hoogtepunt en ook naar buiten wies haar invloed.

Het slot Waltha hadden de acht kinderen van Cornelis Aersens, heer van Sommelsdijk, als gemeenschappelijk eigendom geërfd. In 1675 sloten echter de drie dochters, die tot de Labadisten waren toegetreden, een overeenkomst met de andere kinderen, waarbij het slot haar als .erfdeel werd afgestaan. Zoo werd het slot het gemeenschappelijk eigendom der secte en gedurende een halve eeuw was hier het middelpunt van een heilig, zuiver gemeenschapsleven. Nog zijn: in het kleine dorpje Wieuwerd waar het slot stond dei herinneringen aan dat leven bewaard en lang na de opheffing der secte bleef de gedachte aan die gemeenschap bestaan. Al waren nu de middelen der secte vooral in den beginne door al wat de vermogende leden in de algemeene kas hadden gestort niet onaanzienlijk, „men moet het den Labadisten tot hunne eer nageven, dat zij waardig eiken arbeid gewillig op zich namen, hun ter afdoening opge-

Sluiten