Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

zelfs keizer Frans Jozef en burgemeester Dr. Lueger een waardeerend bezoek aan den stand der Vereeniging.

Het jaar 1898 was een uitstekend propagandajaar en men konjoen moeilijk voorzien dat nog zoovele moeilijkheden in den schoot der toekomst verborgen lagen.

Trots de ijverigste en doeltreffendste propaganda was nog altijd geen rechtsgrond voor crematie verkregen. Petities door de Vereeniging in 1887 en 1891 aan het Huis van Afgevaardigden gericht, bleven zonder gevolg. Met de pogingen, den Gemeenteraad van Weenen tot den bouw van een crematorium te nopen, had men evenmin succes, zelfs niet, toen de liberale burgemeesters Dr. Prix en Dr. Grübl achter de groene tafel zaten. Besprekingen met andere gemeentebesturen ook in Hongarije en met de Evangelische gemeente in Weenen troffen evenmin doel.

Men begreep, dat andere wegen moesten worden ingeslagen en men had den indruk, dat het oeconomisch belang der zaak te weinig op den voorgrond was gesteld. Derhalve werd het roer gewend. De Vereeniging stelde zich op het standpunt, dat in een modernen grondwettelijken staat crematie vrij is en gelijkgesteld met begrafenis en dat de taak der Regeering en de Gemeente enkel bestaat in het stellen van de noodige waarborgen. Eindelijk opponeerde zij, dat de heiligheid van het testament onschendbaar is.

Het toeval wilde, dat spoedig zich een gelegenheid voordeed, om het nieuwe standpunt der Vereeniging aan de werkelijkheid te toetsen. In het begin van 1900 stierf te Baden bij Weenen een vrouw, die bij testament haar verassching had vastgelegd. De familie weigerde uitvoering van het testament. De Vereeniging bracht de zaak voor de rechtbank, die opgraving en uitvoering van het testament gelastte. De burgemeester weigerde op grond van sanitair bezwaar de opgraving, waarop het Ministerie, na advies van den hoofdinspecteur der Volksgezondheid ingeroepen te hebben, den onwilligen burgervader tot onderwerping dwong. 19 Februari 1901 had de opgraving en 22 Februari de verassching der vrouw te Gotha plaats. Dit succes kwam de Vereeniging, zooals begrijpelijk is, te stade.

Intusschen zag de Vereeniging in, dat te Weenen vooreerst de grond nog niet voldoende bereid zou zijn en zij wendde zich tot de provincie, bij voorkeur tot de steden met vrijzinnig bestuur. Sprekers gingen overal de zaak der hjkverbranding uiteenzetten. De vrucht bleef niet uit. Reeds in April 1899 kon aan het Gemeentebestuur van Graz een verzoek worden gedaan, om een stuk grond voor een crematorium af te staan. Met slechts een stem tegen werd het verzoek ingewilligd. Nog beter gingen de zaken in Bohemen. Praag richtte een eigen Vereeniging voor hjlrverbranding op onder leiding van Dr. Zahor. De Boheemsche vereeniging zocht en kreeg dadehjk aansluiting bij de Weensche, en tot de politieke scheiding, gevolg van den Wereldoorlog, hebben beide vereenigingen zusterlijk met elkaar samengewerkt.

Den 23en Juni 1903 belegden beide vereenigingen een Stedendag te Weenen, waaraan 69 steden deelnamen en waarop vooral de oeconomische kant der crematie werd besproken, met het gevolg, dat alle congresleden eenstemmig zich voor de invoering van facultatieve hjkverbranding in Oostenrijk verklaarden.

Dit besluit is een mijlpaal voor de crematie-beweging in OostenrijkHongarije geworden.

Sluiten