Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

vreemd acht. Het verbrandingsproces is ook voor hem iets huiveringwekkends, verschrikkehjks, ontzettends. Ook hij gevoelt de schrijnende tegenstelling tusschen de eerbiedige behoedzaamheid, waarmee het doode lichaam wordt aangevat en met langzamen, aarzelenden tred plechtig wordt weggedragen en de razende snelheid, waarmede het gloeiende monster het met zijn heeten adem omvat en in weinig meer dan een oogwenk verteert. Maar er is hier geen tusschenweg. Wie het lichaam voor ontbinding wil behoeden, móet wel terstond den oven zijn droevigen arbeid laten verrichten; het zou geen zin hebben, noch om de verbranding tot een later tijdstip uit te stellen, noch om dat proces zelf te vertragen. Wie daarentegen terugdeinst voor de verschrikking van het vuur, kieze het graf. Niemand die hem daarin zal willen verhinderen. Eerbiediging van het persoonlijk gevoel in eene aangelegenheid, zoo buitengewoon teer als deze, is uit den aard der zaak geboden. Doch diezelfde eerbiediging eischen dan ook zij voor zich op, die door hun gevoel onweerstaanbaar in de andere richting worden gedreven. Wie dat sentiment bij zijne medeburgers geweld aandoet, maakt zich schuldig aan een onduldbare en misdadige dwingelandij.

De tegenzin tegen de crematie is met het bovenstaande wellicht nog niet voor allen volkomen juist gepeild. Het geweldige van den vlammendood is voor ons, kleine menschenkinderen, al te grootsch, al te verheven. Zulk een eerbetoon past slechts een Heros; zóó was Herakles' einde en de geheele Oeta werd van zijn bosschen ontbloot, opdat deze hem tot brandstapel, die in de wolken reikte, zouden dienen. Of majestueuzer nog: zoo huldigden de treurende goden hun aller lieveling Balder. Op zijn drakenschip Ringhorn werd de doode Zonnegod gebed, en zóó zwaar belaadden zij het schip met brandhout, dat geen van hen in staat bleek, het ook maar een duimbreed te verwrikken en zij een van de Reuzen uit Jötunheim te hulp moesten roepen om het te water te laten. En toen met geweldige krachtsinspanning die taak was volbracht, staken zij het hout in brand en stieten het schip van den oever en terwijl de vuurgloed hoog oplaaide ten hemel, voer Balder, gedragen door de golven der zee, de onbekende verten tegemoet, totdat eindelijk aan de Westerkim' het vlammenschip in den Oceaan verzonk.

Maar past wel een zoo schoone dood voor het hjk van een armzalig menschenlrind ? Is dat geen hoovaardij ? Die vraag zal bij menigeen rijzen, ook bij wie niet staat op het Gereformeerde standpunt van den zondeval. Doch niet zóó moet men de zaak bezien. In de verbranding is voor ons een verheffende en troostvolle gedachte: op het einde van het aardsche bestaan is de louterende vuurdood van het lichaam voor ons het symbool van 's menschen streven naar het reine en verhevene, een getuigenis van het onuitroeibaar verlangen van eiken sterveling naar omhoog, naar een opgaan in het Heelal. Wij hopen en vertrouwen, dat het goede recht van dit idealisme eerlang door elkeen zal worden erkend en daarmede de tegenstand tegen ons streven, naar vrijheid, om daarvan ook door de daad te getuigen, geheel en al zal worden prijsgegeven.

Sluiten