Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DO

gebruiken, die gevolgd worden uit gemakzucht en uit een neiging tot nabootsing, met zich te verzetten tegen alle voorgeslagen hervormingen. Bekend is het, dat nationale zeden en gewoonten veelal krachtiger werken dan voorgeschreven wetten ; terwijl zij door hare herkomst uit een ver verleden als omhangen zijn met een nimbus van heiligheid, waaraan niet geraakt mag worden. Men behoeft waarlijk niet zoo ver te gaan als tot de bewoners der Polynesische eilanden, om taboe-verschijnselen waar te nemen.

Ongetwijfeld heeft die ingeboren behoudzucht hare goede zijden; en het staat te vreezen dat alle sociologisch verband op losse schroeven zou komen te staan en zijn gezag en invloed zou verhezen, zonder het bestaan van bindende en sanctie verleenende gewoonten. Maar daarnevens heeft die karaktertrek van behoudzucht ook zijne nadeelen, waar verouderde denkbeelden en toestanden, tegen verkregen beter inzicht in,. daardoor worden in 't leven gehouden.

De geheele geschiedenis leert ons, dat bovenal elke kerkgemeenschap conservatief is van aard, beducht als zij is voor aUe hervormingen en nieuwigheden, die zij aanziet als haar gezag ondermijnend en in gevaar brengend. Al wat van de in verloop van tijd geijkte en gesanctionneerde leerstukken ook maar eenigszins afwijkt, wordt door haar uitgemaakt voor kettersch en als zoodanig in den ban gedaan. Zelfs datgene, waaraan op zichzelf weinig waarde gehecht wordt, wordt desondanks zooveel mogelijk tot het laatst toe in stand gehouden, ook al is het in verband met gewijzigde tijdsomstandigheden geheel verouderd. Men vreest altijd dat, begint men eenmaal aan een in menig opzicht vermolmd gebouw te raken, er kans bestaat dat het geheel zal gaan afbrokkelen en ten slotte ineenstorten. Vandaar dat men liever aan het uit verleden tijden overgeleverde eene wijding geeft van heilige onaantastbaarheid.

De Christelijke kerk is niet in gebreke gebleven, dit regime toe te passen ook ten opzichte van de lijkverbranding. Zij heeft het voorgesteld als zoude speciaal de begraving eene Christelijke behandelingswijze vertegenwoordigen. Evenwel zulk een samenkoppehng van begraving en Christendom wekt de voorstelling, als zoude eerstgenoemde speciaal aan laatstgenoemde eigen zijn; en dit is toch geenszins het geval, waar die wijze van doodenbehandehng hoegenaamd geen monopolie is van den Christelijken godsdienst, evenmin als verbranding slechts voorkomt bij volkeren die niet gelooven aan persoonlijke onsterfelijkheid. En of er nu al niet-Christelijke volkeren gevonden worden, die hun lijken verbranden, dit kan voor Christenen geen bezwaar wezen dit eveneens te doen; evenmin als het feit, dat ook niet-Christelijke volkeren' hun lijken begraven, voor de belijders van het Christendom een bezwaar vormt om diezelfde methode toe te passen.

Ondanks dit alles is het de Kerk, die steeds is opgetreden als de machtigste en onverzoenlijkste bestrijdster der lijkverbranding. Voor wat al niet zijn door hare dienaren de voorstanders der crematie uitgemaakt om ze te stellen in een ongunstig daghcht! Nu eens heeten zij boeddhistisch, theosophisch of spiritistisch van denkwijze, dan weer aanhangers van een mystisch-nihihstisch pessimisme1). Aan ver-

i) Zoo Ds. G. Wisse. De lijkverbranding. Kampen 1914, pag. 13 en 17.

Sluiten