Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIJN ER OVERWEGENDE STRAFRECHTELIJKE BEZWAREN TEGEN DE LIJKVERBRANDING?

door

Mr. G. André de la Pokte, Hoogleeraar aan de Universiteit te Leiden.

Dat het verbranden van lijken in hygiënisch en economisch opzicht de voorkeur verdient boven het begraven ervan, is nauwelijks vatbaar voor tegenspraak. Maar het is zeer de vraag, of deze voordeden wel opwegen tegen de bezwaren, die van strafrechtelijke zijde er tegen worden aangevoerd. Men vreest n.1. dat de snellere vernietiging van het lijk door de verbranding en het daardoor spoediger verdwijnen van alle sporen eener misdaad tegen den overledene gepleegd, het ontdekken van zulke misdaden alsmede het herstellen van gerechtelijke dwalingen zal belemmeren. De zekerheid dat het lijk van 't slachtoffer verbrand zal worden en daardoor de sporen der misdaad zeer kort na het overlijden verdwijnen zullen, zou zelfs het plegen van misdaden tegen het leven in de hand kunnen werken.

Deze bezwaren zijn inderdaad niet denkbeeldig, doch moeten ook niet worden overschat. Wel kunnen vele sporen der misdaad nog maanden en zelfs jaren na het overlijden aan het opgegraven lijk geconstateerd worden, doch dat deze beleedigingen den dood veroorzaakten is dikwijls niet meer uit te maken, als de ontbinding reeds te ver gevorderd is. Bovendien geeft de opgraving maar zelden hcht ten aanzien van een zeer belangrijke rubriek van misdaden tegen het leven, de vergiftigingen, omdat verschillende vergiften niet in de tot ontbinding overgegane lijken te constateeren zijn.

Slechts ten aanzien van die verwondingen, welke beschadiging van het beendergestel medebrengen, maakt het een groot verschil, of het lijk verbrand dan wel begraven is. Wanneer een lijk op een droge plaats begraven is, of andere omstandigheden de ontbinding belemmerd hebben, blijven beenfracturen en dergelijke om zoo te zeggen ten allen tijde zichtbaar, terwijl onder die omstandigheden ook de overige deelen van 't lichaam soms merkwaardig lang in zoodanigen staat blijven, dat beleedigingen, ook aan die weekere deelen, nog zeer lang te constateeren zijn. De beleedigingen die 't langst aan het lijk terug te vinden zijn, zijn echter ook juist die, welke ook uiterlijk het meest zichtbaar waren, en dus ook voor de begraving niet verborgen waren, terwijl de sporen der verborgen doodsoorzaken als vergiftiging, verstikking, beleediging van inwendige organen enz., door de intredende ontbinding het eerst verdwijnen.

Hoewel dus de nadeelen der verbranding niet zoo belangrijk zijn, als wel eens wordt beweerd, zijn toch de gevallen, waarin de verbranding sporen van misdaad vernietigt, die na opgraving nog terug

Sluiten