Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

geheel voor rekening van de redactie .van het betreffende blad. We willen slechts op de methode wijzen.

We hebben getracht in dit en in het vorige hoofdstuk aan te toonen hoe men op grond van de reconstructiewaarde en de „earning power" tot een begrip omtrent de innerlijke mérites van een fonds kan komen. Rest ons nog het verband tusschen deze twee begrippen te leggen.

. Noch reconstructiewaarde, noch de rentabiliteitswaarde vormen de uitsluitende grondslag van de waarde van een onderneming. Beide werken samen tot het verkrijgen van die waarde.

We zagen, dat de reconstructiewaarde van belang is bij het bepalen van de toekomstige rentabiliteit van de onderneming. Het is het bedrag, waarmede nieuwe concurrenten rekening zullen moeten houden. Is de reconstructiewaarde hooger dan de gekapitaliseerde earning power dan zal nieuwe concurrentie uitgesloten zijn, totdat men mag verwachten, dat voor een lange reeks van jaren de met de normaalrente gekapitaliseerde earning power boven de waarde uit zal gaan. Is zij lager, dan zal de tendenz optreden om door nieuwe concurrentie de gekapitaliseerde earning power tot die waarde te doen naderen.

De waarde van de onderneming ligt dus tusschen beide in. Doch waar ligt zij precies, welke van de beide factoren heeft den grootsten invloed?

Dr. Felix Moral *) neemt als de waarde van de onderneming aan de helft van de som van de rentabiliteitswaarde plus kostprijs, verminderd met afschrijvingen. Bij een constant prijsniveau dekt dit laatste begrip ons begrip reconstructiewaarde.

Schmalenbach') citeert Fritz, die op de volgende wijze te werk gaat:

„Beispfel: Der durchschnittlich zu erwartende Qewinn eines Unternehmens einschl. Betriebskapital betragt M. 180.000.—. Qewinn M. 60.000.—

Abzug 5% von M. 180.000.— „ 9.000.—

1 M. 51.000.—

Kapitafisiert mit 7% (X = 100/t) M. 728.571.— dazu „ 180.000.—

M. 908.571.—

*) Die Abschatzung des Wertes industrieller Unternehmungen. a) Finanzierungen le druk, bis. 18.

Sluiten