Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STELLINGEN

i.

Wülcker's verhandeling „Die Entstehung der kursachsischen Kanzleisprache" in het „Zeitschrift des Vereins für Thüringische Geschichte und Altertumskunde" N. F. Bd. I p. 349 ff., is oorzaak geweest, dat in vele werken op het gebied der Duitsche taal de invloed van de keizerlijke kanselarijtaal van Frederik III op het ontstaan der Duitsche schrijftaal overschat is.

II.

Outjahr's onderscheiding tusschen „schöffendeutsch" en „innungsdeutsch" idioom (Outjahrs Urkunden deutscher Sprache in der Kanzlei Karls IV., Leipzig 1906, p. 26) kan nooit den „Lautstand" in de oorkondentaal van Karei IV verklaren.

III. \

Dat in de taal van keizer Sigismund de oude Middelhoogduitsche lange klinkers vaker optreden dan bij Karei IV en Wenzel, vindt zijn oorzaak in de dialecten van het lagere kanselarijpersoneel.

IV.

Doordat keizer Frederik UI de meeste beambten uit de voormalige kanselarij van Sigismund overnam, vertoont de kanselarijtaal bij hem, in de eerste jaren, vele Middelduitsche eigenaardigheden.

Sluiten