Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

Over dezen Sech Djamboe Karang zijn velerlei verbalen in omloop. In alle is hij een persoon die leefde tijdens de islamiseering van Java, maar „volgens den een was hij een vorstenzoon, uit Hindostan afkomstig, volgens den andere een Padjadjaransche koning die de noerboeat ging zceken, volgens een derde weder was hij het laatste hoofd van deze streek vóór de invoering van den Islam." *)

Men heeft in deze verhalen tevens een naamsverklaring van Tjahjana willen geven. Er is n.1. steeds sprake van een licht (tjahja) dat door Djamboe Karang gezien wordt op den ten Z. van den Goenoeng Lawet gelegen heuvei Tjahjana, waaraan het geheele district zijn naam te danken zou hebben.2)

Djamboe Karang volgt een lichtglans, dien hij langs het hemelgewelf ziet, gaande van Oost naar Zuid. Zijn jongere broeder, dien hij heeft achtergelaten, kan dien nacht niet slapen; hij ontvangt te middernacht een blanco-hrief „ter lengte van een spanne hands". Geen der onderdanen kan dien brief lezen; alleen de vertrokken oudere broeder wordt daartoe in staat geacht. Men reist hem met den brief achterna; de inhoud blijkt te zijn een waarschuwing om den eerst aangekomene in het midden van het eiland Java als een hoogaanzienlijk sterveling te eeren. Djamboe Karang zet zijn reis voort en komt tenslotte op den top van den berg waar de lichtglans is. Hij waakt daar een dag en een nacht, en keert dan terug naar Djatisari, in Pekaiengan.

Deze zelfde lichtglans is in Arabië gezien door de dochter van Pangeran Atas Angin; zij waarschuwt haar vader en haar vier broeders, die allen eveneens den lichtglans duidelijk kunnen onderscheiden. Vader en dochter schepen zich in en arriveeren eveneens te Djatisari, alwaar zij Djamboe Karang aantreffen, zittende in zijn pendapa. Hij beantwoordt hun groet niet, want hij is een hoogaanzienlijk sterveling, naar hij zegt. Pangeran Atas Angin vraagt hem, zijn meerderheid te bewijzen. Djamboe Karang gooit zijn muts op in de lucht; zij blijft zweven, maar Pangeran Atas Angins sandaal doet dit ook, en wanneer beide neerkomen, ligt de sandaal op de muts. Dan noodigt de Pangeran den verslagene uit, een rij eieren, die hij als tweede bewijs op elkaar gezet heeft

1) Hasselman 1. c. bl. 74, die de mededeelingen van Van den Berg in T.B.G. XXIII, bl. 45 verbetert en aanvult; Fokkens, T.B.G. 1. c. bl. 507, 508. . ,. .

2) 1. c, bl. .74 noot 3; Encycl. N.O.I. III, bl. 436 s. v. Poerbalingga 1.

Sluiten