Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

keer, die dezen goeden staat van zaken moet teweegbrengen, als op handen zijnde gevoeld. Toen werd het natuurlijk noodig zich langs bovennatuurlijken weg te versterken, door ascese, en door djimats en tooverspreuken. Van zijn eigen macht in dezen is Malangjoeda, blijkens de door hem gevoerde correspondentie, vast overtuigd geweest. Al bereidde men zich dus voor op een scheiding tusschen on- en rechtgeloovigen, het is de vraag, of daarbij in de eerste plaats aan gewelddadig verzet gedacht is. Van prang sabil tegen de ongeloovigen hoOren we nergens iets, en evenmin schijnen er wapenen verstrekt of verborgen te zijn geworden. Het „vuile werk" zou immers ook door ziekten, plagen, en booze geesten gedaan worden; de ratoe adil en zijn helpers vragen slechts naar het sjibboleth. In het verwarde conglomeraat van noties, dat onder de bevolking over de gewichtige gebeurtenis bestond, kan echter bij sommigen ook de gedachte hebben geleefd, dat eigen handelend optreden dan als verdienstelijk zou worden beschouwd. Maar de demonenvrees en de zucht tot zelfbehoud doen eerder een biddende en offerende schare verwachten dan een trcep gewapende muitelingen. Zichzelf schijnt Malangjoeda, al was hij de auctor intellectualis, geen actieve rol te hebben toegedacht bij de omwenteling. Het is moeilijk uit te maken in hoeverre hier welbewuste geslepenheid anderen naar voren heeft geschoven, en ook of, en zoo ja, waar, de autosuggestie voor iets groots bestemd te zijn, door de tegenslagen slechts versterkt, in bedrog overgegaan is. De lichtgel oovigheid der desabevolking waarborst iemand, die pretendeert van hooge afkomst te zijn, vooral wanneer hij dan tevens nog goeroe ngelmoe is, al dadelijk zoo grooten invloed, dat zijn hoogheidswaan daardoor eer versterkt xlan geremd wordt, terwijl ook het feit, dat hij zelf eveneens de mentaliteit bezat, die niets te vreemd of te ongerijmd acht, mede het zijne eraan toe deed.

De ass.-resident, die aan het geheele geval geen politieke beteekenis gehecht wilde zien, bleef in zijn opinie alleen staan, en er werd een andere maatstaf van beoordeeling aangelegd dan hij billijk achtte. De „meer sluwe en eerzuchtige dan fanatieke" Malangjoeda werd voorgedragen voor interneering in „een streek waar de Mohammedaansche godsdienst niet die is, welke de bevolking voor het meerendeel belijdt, als de Minahassa of Amboina."

De beide inlandsche ambtenaren, de ass.-dëmang van Bogor en de mantri bij het kadaster van Pamëkasan, die „louter door gods-

Sluiten