Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

Noerhakim, maar, als het nog dag was, op het graf zijner schoonouders, ten N. van Pasirwetan, en des avonds op een eilandje in de kali Lanang ten W, van die plaats, werwaarts men zich begaf na .ten huize <van Ncerhakim eenige gebeden te hebben gedaan. In beide gevallen verliep de plechtigheid op dezelfde wijze. De leerlingen zetten zich op een rij, met het gelaat naar Mekka gericht, de handen voor 't gezicht. Van te voren was hun gezegd in iedere hand ƒ 0.50 te hebben. Het geld uit de rechterhand werd opgehaald en aan Noerhakim afgedragen; dat uit de linkerhanid kreeg de necphyt weer terug om er, <zoo in zijn dorp een zilversmid woonde, een ring van te laten maken volgens voorgeschreven model, de „sigar pendjalin". Meestentijds was deze ring van zilver (soepaja ati poetih brésih), maar hij mocht ook van edeler of min edel metaal zijn. Volgens de leerlingen moest men dezen ring dragen aan den wijsvinger (panoedoeh), als teeken dat men leerling van Noerhakim ■ was, en als herinnering om zijn voorschriften (pitoedoeh) niet te vergeten (ali-ali, lali). Was er geen zilversmid in de buurt woonachtig, dan zorgde Noerhakim dat de ring vervaardigd werd. Verreweg het grootste gedeelte droeg zijn ring echter niet.

Enkele vertrouwde volgelingen kregen een sabel, de- „sela panoenggal", volgens sommigen gemaakt naar een model, dat eens in bezit was van een vroegeren, in 1889 reeds overleden, badal, den afschrijver der primbons. Eén badal bekende de zijne, een kostbaar exemplaar, van Ncerhakim ten geschenke te hebben ontvangen.

Om echter tot de inwijdingsplechtigheid terug te keeren: zaten de adepten zooals vermeld, dan nam Noerhakim hun onder eede de verklaring van volstrekte gehoorzaamheid en geheimhouding af, hief de hand op, reciteerde het „Jemensche afweergebed", vatte met beide handen het hoofd van den leerling, lichtte diens hcofddcek voor de helft op, en drukte zijn lippen op de fontanel, waardoor de tareq in den leerling voer. Veertig tot vijftig leerlingen per keer werden zoo bovennatuurlijk versterkt.

Na afloop mocht men niet bij Noerhakim blijven; ieder moest onmiddellijk vertrekken. Tegen contante betaling van ƒ 3.— kon men een afschrift van een primbon, onder meer ook bevattende den hirz aUamant, meekrijgen.

Behalve hetgeen in de primbons staat, verkondigde Noerhakim ook op verschillende tijdstippen aan zijn badals het op handen zijn van de verschijning van den ratoe adil, en zijn badals brachten

Sluiten