Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

' rust het, zuiver, wit. Hij is het leven, Hij het bewegen. Hij de rust, Hij de eeuwige. De realiteit is in zijn reinheid in eeuwige rust. Eeuwig wil zeggen: niet groot, niet klein, niet lang, niet kort, niet rond, niet.ovaal, niet plat. Dat alles is hulsel van de rasa. fltj is wit, Hij is de heldere rasa, de witte rasa, de wezenlijke rasa, het wezenlijkste Gods."

De benaming: de twee woorden, die de geloofsbelijdenis dikwijls draagt, geeft gelegenheid andere in tweetal voorkomende zaken ermede te verbinden. Zoo blijkt zij niet alleen het komen uit, en hét terugkeeren in den eeuwigen grond van alles aan te duiden, maar ook direct op de wording des menschen betrokken te worden, zoodat zij „onze vader en moeder" genoemd wordt. De vader is dan de drager van het wezen, de moeder draagster van de eigenschappen; omdat de mensch uit beiden voortkomt, wordt de een als oesoel, de ander als asal beschouwd, welke woorden beide oorsprong aanduiden (het eerste is eigenlijk de plur. van "het tweede). Wij (er is immers sprake van „onze vader en moeder", hapa Jan baboe kita) zijn de dragers van het bestaan, ons deel is de adjal, (Arab. adjl, oorzaak), maar in dit verband, blijkens de toevoeging: „dat ook heet noodwendig bestaande, dat ik vereer, en dat ons heeft deen worden", wel bedoelend, dat ons zijn en de grond van alle zijn eigenlijk ident zijn.

Wie deze beteekenis van de geloofsbelijdenis niet kent, is naar het voorkomen, in naam, een mensch, maar eigenlijk een duivel; hu' heeft geenszins den trap van den volmaakten mensch bereikt, maar is aan het dier gelijk, is als „een karbouw, die rijst eet".

Geheel anders wordt weer met de geloofsbelijdenis gewerkt waar vooral hare vier zuilen ter sprake kómen. De tweeledige belijdenis berust n.1. op de bevestiging van het wezen, de eigenschappen en de werken Gods, en op dé bevestiging van de waarheid der profeten (sidq, kabënera,n rasoel oellah). Bevestiging der drie eerstgenoemde zaken impliceert bevestiging der twintig eigenschappen Gods, daar onder elk een aantal daarvan ressorteert; bevestiging van het in de vierde plaats genoemde omvat al het voorafgaande en bestaat in het bevestigen van waarheid, betrouwbaarheid, en goddelijke zending, m.a.w. geloof in de drie voor het profeetschap onontbeerlijke en aan ieder profeet eigene factoren, die in de dogmatiek bij de behandeling van het karakter van profeten en godsgezanten besproken worden.

Voor deze vier zuilen staat ons lichaam borg met zijn vier

Sluiten