Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

191

Wanneer en waar deze eigenaardige Javaansche verwachtingen het eerst zijn ontstaan, is even moeilijk te bepalen als de tijd van het ontstaan der Djajabaja-voorspellingen. Kan men voor deze nog tot een bepaald punt ante quem komen, bij de voorspellingen van Moeradi(n) en Moeraidi(n) is dit tot nu toe niet mogelijk gebleken, daar de twee bronnen waaruit geput is, elkaar in tijd niet veel entloopen, en voor de veronderstelling, dat beiden, zoowel Malangjoeda als Noerhakim, ook in dezen aan Kjai Lengkong hun leeringen danken, op grond van de stukken althans niet voldoende reden is. Dat Imam Boentara met oudere leeringen werkte, en deze wellicht slechts wat heeft uitgebreid, springt in het oog.

Eén bestanddeel dezer leeringen is daarbij het alleroudste, de schildering der booze tijden. Deze treft men in de Javaansche litteratuur dcor de eeuwen heen aan. Zelfs in de primbons dient soms een schildering van het verval, dat zich in de wereldperioden langzamerhand openbaart, als inleiding nog voor de verwachtingen van een betere toekomst. Zoo taai heeft ook hier weer het oude stand gehouden, en zich met nieuwere toevoegselen tot een bont geheel laten verwerken. 1" Wij hebben boven getracht enkele staaltjes van die oudere berichten, en van jongere met ontegenzeggelijk heel oud overgeleverd materiaal, die der Balineesche paswara's,bij een te brengen om te doen zien, dat men hier niet te doen heeft met een theorie van steeds toenemende verslechtering der tijden zonder meer, maar met een geloof aan een onwrikbaar vaste wereldorde, die de mensch, maar vooral de vorst, te handhaven heeft. Materieele welvaart, godsdienstzin, rechtvaardig bestuur, het behoort alles bijeen, en de natuur geeft over dit schoon geheel haar zegen door de menschen voor rampen te vrijwaren. Zoo dacht men in het oude Indië, en zoo dacht men ook op Java. Het is het restant van dit geloof, dat verklaart, waarom men in vreemde verschijnselen in de natuur de bevestiging dat het met de wereld niet goed was, en de inleiding tot ommekeer heeft gezien. En ook maatregelen, die lijnrecht in gaan tegen de orde van zaken waaraan men van cudsher gewcon was, het geringschatten van al wat vroeger waarde had, kortom alles wat de oriëntatie van den eenvoudigen desabewoner in de war brengt, in dat alles zal hij aanleiding vinden te denken, dat het met de regeerders toch op de een of andere wijze niet pluis moet zijn.

Sluiten