Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

201

Indische speculatie over dit onderwerp nog bekend; volgensRichard Schmidt, Fakire und Fakirtum (2de ed. bl. 224, 225) is deze kennis bij de latere yogi's in Indië verdwenen. Daar is prana de adem in den gewonen physiologischen zin. In de toetoers, en ook in de S. h. Kam- (bl. 168), worden echter de -verschillende functies dezer prana's, die, evenmin als in de Sanskritlitteratuur, steeds gelijk worden opgegeven, nog onderscheiden, terwijl er ook op de wijze der upanisads andere vijftallen mee gecombineerd worden, als in het verhaal van de schepping der vijf brahmargsi's uit de vijf prana's van Brahma (Brahmandapur. cod. 5030,7, gecit. v. d.T. s. v. sangkalpa), Ook worden deze vijf met naga, kürma, kërkara, devadatta. en dhanamjaya tot de dacabayu vereenigd.

Bij v. d. T. II bl. 456 ontbreekt de gewone beteekenis van dezen term; wel vermeldt hij de mantra dagabdyu (zie b.v. cod. Leiden 5356, 3). In den gewonen zin van de tien adems komt de uitdrukking voor'b.v. cod. Leiden 5073 fol. 66, waarmede men kan vergelijken Böhtlingks Chresthomathie 3de ed. bl. 299,vert.bij Deussen, Allgem. Gesch. der Philos. I. 3 bl. 649, en het veel oudere Agnipur. (door Farquhar, Cutline, gedateerd tusEchen 500 en 900 A. D.) II 214 cloka 5—16. Volgens den bovengenoemden Cudjav. tekst bewerkt " naga het rekken (S. het braken), kurma het trillen(S. hetsluiten

der oogen), kërkara het (S. den honger), devadata

het boeren en het hoesten (S. het gapen), dhanamjaya het zuchten (S. de voeding).

Het ademhalingsproces wordt aangeduid door pil ra ka, recaka en kumbhaka, inademing, uitademing, en inhouden van den adem, de gewone Sankrittermen (zie b.v. v. d. T. s.v. recaka). Ook de drie kanalen in het lichaam, piiigala, het linkerkanaal, waarin „het water en de palmwijn worden verwerkt tot bloed, en het residu naar de blaas wordt afgevoerd", de ida, het rechterkanaal „waarde rijst wordt omgezet in vleesch, enz." en de susumna, het middelste kanaal '), waar de 6d;tt in komt, zijn bekend in de toetoers. Blijkens den hier geciteerden tekst dienen deze twee eerstgenoemde aderen dus niet om den adem van de neusgaten naar de navelstreek te geleiden, vanwaar hij naar yoga-opvatting door de 72.000 kleinere kanalen des lichaams verder wordt voortgestuwd, om eindelijk de brahmvrandhra te bereiken, indien althans de booze kundalt, die opgerold in de susumna ligt, en den weg erheen verspert, zioh belieft te strekken. Om dit te bereiken oefent men dan druk uit op alle

xTln de primbons die ik gezien heb kent men deze eigenaardige physiologie niet meer. Toch denkt men, wanneer b.v. in No. 86 der Jav. hss. coll. Snouck Hurgronje bl. 82 en volg. eenige ademtechniek wordt gegeven en daarin gezegd wordt: sawor ing woedel ana otot sawidji agëde, onmiddellijk aan de susumna.

Sluiten