Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

ten geen onrecht doen, dan moet het Corpus Iuris een andere oplossing gegeven hebben. Zoo komt schrijver tot de opvatting, dat ook in het Romeinsche~recht reeds de enkele belofte bindend is: de offerte op zichzelf is al een „RechtsgeschSft" en dus met haar voltooiing (aankomst) onherroepelijk.

Ook Siegel1 is met het bestaande stekel niet tevreden: zoowel vóór als na de acceptatie moet de wederpartij op de offerte kunnen rekenen, het eerste om te kunnen beslissen, het tweede om maatregelen te kunnen nemen op grond der acceptatie. Aan de hand van historische onderzoekingen stelt hij den regel op, dat in het Duitsche rechtsleven naast de overeenkomst ook een enkele belofte de grondslag van een verphchting kan zijn. Bij de offerte beperkt zich dat hiertoe, dat de aanbieder reeds vóór de acceptatie „im Worte muss bleiben". Deze „Gebundenheit ans Wort" is niet louter een utiliteitsbeginsel, maar uitvloeisel van een algemeene Duitsche rechtsovertuiging. — In later tijd zien wij Kohier * zich richten tegen de leer, als zou de herroepelijkheid volgen uit den aard der offerte. „Warum soll ein Element der Vertragseriichtung nicht eine Situation von einiger Dauer schaffen können?" In ieder geval, zegt hij, is het een feit, dat ons rechtsleven de neiging vertoont de gebondenheid zoo vroeg mogelijk te doen intreden. Hiervoor zijn drie oorzaken aan te wijzen. Vooreerst, de toenemende gecompliceerdheid der verhoudingen; valt één steen weg, dan stort een geheel gebouw in elkaar. In de tweede plaats de grootere ernst in het verkeersleven; het verkeer is geen spel meer, maar een cultuurbelang. Ten slotte: de hoogere eischen van verkeersvertrouwen, -soliditeit, en -waarheidsliefde; op het eens gegeven woord moet men kunnen rekenen in dien zin, dat het waar is en niet herroepen kan worden *.

> Versprechen (1873), S. 45 ff.; 53 ff. • Arch. f. b. R. I (1889), §§ 8, 10.

s Verder sympathiseeren met de onherroepelijkheid: Hauser, Z. f. Hr. Bd. 12 (1868), S. 65; Schott, Der obligatorische Vertrag unter Abw. (1873), S. 230; Kühn, J. f. D. XVI (1878), S. 89/90; Marsson, Natur der Vertragsofferte (1879), §§ 10, 11; Maas, Vertragsschluss auf elektrischem Wege (1889), S. 49; Fritze, In welcher Weise wirkt bei unvollendeten Willenserklarungen der einseitige Widerruf, usw. ihres Urhe-

bers? (diss. Kiel, 1896), S. 107.

Sluiten