Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

II. „Vrijblijvend" en de uitsluiting der onherroepelijkheid (Gebundenheit)

De vraag is nu, in hoever het beding V. gebezigd wordt enkel en alleen om de onherroepehjkheid van het aanbod uit te sluiten, zoodat dus altijd nog een bindend aanbod overblijft. We beantwoorden deze vraag achtereenvolgens aan de hand van de hteratuur, de rechtspraak, de handelspraktijk, en de wetgeving.

1) D e literatuur

Onder de oudere Duitsche schrijvers is Hauser1 de eenige, die duidelijk tweeërlei beteekenis van het beding V. onderscheidt. Soms bepaalt men zich tot de opmerking, dat door V. de „Gebundenheit" wordt uitgesloten2 — hetgeen nog niet wil zeggen, dat men het V. A. als een volwaardig aanbod beschouwt — over het algemeen vermeldt men onze clausule niet anders dan in de ruime beteekenis van vrijblijvend ook na de acceptatie en stelt een vrijblijvende offerte eenvoudig gelijk met een niet-bindende offerte, zoodat de vraag: aanbod of niet, al bij voorbaat is opgelostDeze min of meer eenzijdige voorstelling vinden wij terug in de Motive I, S. 166, behoorend bij het eerste Ontwerp BGB. van 1888; een V. A. in den zin van „herroepelijk" aanbod is bier blijkbaar onbekend. — In den nieuweren tijd verandert dit. Volgens verscheidene commentaren en hand- en leerboeken * kan het beding V. in tweeërlei beteekenis worden gebezigd, en sommige5 geven zelfs in twijfel aan de engere uitlegging de voorkeur.

1 Z. f. Hr. Bd\ 12 (1868), S. 73; ook Hasenoehrl t. a. p.

* von Hahn, Commentar Bd. II (1867), S. 146; Siegel, Versprechen (1873), § 7 N. 11; Kohier, Arch. f. b. R. I (1889), § 8 N. 20.

* Zie, behalve de blz. 92 N. 1 genoemde schrijvers, nog: Thöl, Hr. I § 255, S. 817/8 (oude edd. § 67); Koppen in J. f. D. XI (1871), S. 354; Thon in Arch. f. c. Pr. Bd. 8o (1893), S. 66.

« Planck, Komm. ad § 145 A. 5; Staub, Exk. zu § 361 A. 16; Dernburg I, § 129 N. 7; von Thur II, S. 466; Enneccerus, § 152 III.

* Oertmann, Komm. ad § 145 N. 36; Warneyer, Komm. S. 267; DüringerHachenburg, HGB. II, A. 211; von Gierke, Schuldrecht, § 184 N. 26.

Sluiten