Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

niet heeft goedgekeurd. Uit den aaxd der zaak zal zulk een terugtreden weinig plaats vinden. Het geval heeft zich in onze rechtspraak eenmaal voorgedaan1 en toen is beslist, „dat de acceptant zijn eenzijdige wilsuiting nog kon intrekken, daar hij hierover meester was gebleven, totdat zijn wil gebonden was door het kennis nemen van den overeenstemmenden wil zijner tegenpartij". Aan deze uitspraak is echter weinig waarde te hechten, daar zij de logische gevolgtrekking was van de vooropgezette bewering, dat een V. A. „rechtens niets meer is dan het openen der gelegenheid een bestelling te doen op de aangegeven prijzen, zonder de zekerheid dat zij zal worden aanvaard". Inderdaad, ziet men in het V. A. niets meer dan een U. T. O., dan kan de verklaring van de wederpartij ook nooit meer dan een aanbieding zijn, waarop deze dus volgens ons recht mag terugkomen, zoolang de verkooper de overeenkomst niet heeft goedgekeurd. Maar m. i. moet men juist den omgekeerden weg bewandelen en mede uit de positie van den acceptant het rechtskarakter van het V. A. zien af te leiden.

De vraag is dus, of de acceptant ook in de praktijk de vrijheid bezit, die het A'damsche Hof hem wilde toekennen *. Voor het Duitsche recht past ongetwijfeld een ontkennend antwoord. Immers, hoe men ook over het karakter van het V. A. moge denken, de wederpartij stelt toch altijd op zijn minst een offerte, aan welke offerte zij krachtens § 145 BGB. een korten tijd gebonden is. In Duitschland zit dus ieder, die op een V. A. ingaat, gedurende korten tijd aan zijn acceptatie vast. — Over ons land bestaan weinig gegevens, juist omdat een herroeping in de praktijk zoo weinig voorkomt. Maar uit sommige Opmerkingen in de door ons gehouden Enquête valt af te leiden, dat ook hier de acceptant gedurende eenigen tijd aan zijn verklaring gebonden is8. Zulk een gebondenheid

1 Hof A'dam 19 April 1920.

* De verkoopster sprak van een koop onder de ontbindende voorwaarde van het niet-verkrijgen harer goedkeuring.

* Opm. No. 6 ad Vraag I6, I4; Opm. No. 115 ad Vraag I*; vgl. Opm. No. 70 ad Vraag I* en Opm. No. 136 ad Vraag I6. Anders: Opm. No. 21 en No. 58 ad Vraag I*.

Sluiten