Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

Het HAG. beroept zich dus op den aard der zaak, de rechtszekerheid, en de goede trouw, die speculatie verbiedt. Dat beroep op den aard der zaak vinden wij terug in de reeds op blz. 104 vermelde beslissing van het OLG. Hamburg van 14 Juli 1916. Een V. A. is maar niet eenvoudig een uitnoodiging om een bestelling te doen, zooals een prijscourant S De uitgever van een prijscourant is niet alleen volkomen vrij om een eventueele bestelling af te wijzen, maar überhaupt pas gebonden, nadat hij de order heeft aanvaard. Daarentegen komt door de toestemming van hem, die op een V. A. ingaat, de overeenkomst tot stand, tenzij de aanbieder direct na aankomst verklaart de overeenkomst niet meer te wenschen *.

Het negatieve standpunt is ook dat van het Reichsgericht. De eerste beshssing, waarbij de hoogste rechter in deze kwestie partij koos, is die van den derden Senat van 28 Jan. 1921. De bewoordingen doen sterk denken aan het arrest van het Nürnberger HAG. De aanbieder is volgens de goede trouw verplicht op een onmiddellijke bestelling ook onmiddellijk te antwoorden. „Auch derjenige, der ein „freibleibendes" Angebot macht, gibt dem Gegner zu erkennen, dass er mit ihm unter gewissen Bedingungen und Voraussetzungen in ein Vertragsverhaltnis treten wolle". Wanneer de wederpartij dus onverwijld en onomwonden haar bereidwilligheid daartoe verklaart, heeft zij er ook recht op onverwijld te vernemen, of deze verklaring tot een vaste overeenkomst leidt of niet, opdat zij haar verdere maatregelen kan treffen. „Die Antwortpflicht des Antragenden entspricht deshalb ebenso der Natur der Sache wie der Billigkeit und hegt. im Interesse der Rechtssicherheit. Erfiillt er sie nicht, schweigt er, so muss er sich nach Treu und Glauben so behandeln lassen, als hatte er die Bestellung ausdrückhch angenommen" 8.

ginselen met alle kracht verdedigden en voor het handelsverkeer onontbeerlijk verklaarden.

1 Anders: de deskundige bijzitters van het Landgericht.

» Zie verder: KG. 12 Oct. 1917, ROLG. 35, 3071 en OLG. München 8 Nov.

1918; OLG. Stuttgart in Mitt. Hk. Zittau 1920, S. 164.

* Tot hetzelfde resultaat komt RG. III 3 Juni 1921 met een beroep op de

goede trouw en de algemeene verkeersopvatting.

Sluiten