Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Dit betreft dus het wonen van vreemde Oosterlingen, het woonrecht van Inlanders zoowel als van Europeanen, bleef in deze Indische grondwet echter onbesproken.

Rond 1860 komt er eenige verlichting in de beperkingen op het wonen en reizen van Inlanders en Europeanen in rechtstreeks bestuurd gebied, voor vreemde Oosterlingen bleef de vrijheid van beweging en van wonen toen voorloopig nog sterk gebonden. Sedert het bepaalde in Stb. 1861 no. 40 toch mochten Nederlanders, zoowel als niet-Nederlanders toegelaten zijnde, zich niet alleen vestigen in de residentie Batavia, doch in alle voor den algemeenen handel geopende havens in geheel Nederlandsch-Indië. NietNederlanders konden nu ook gemakkelijker vergunning tot inwoning verkrijgen, waardoor zij na bekomen toestemming van den Gouverneur-Generaal zich overal mochten vestigen.

Eigenaardig is, dat bij de venraming van recht tot wonen voor niet-Nederlanders, deze voorschriften de vrijheid tot wonen voor Nederlanders, welke vergunning tot inwoning bekwamen, beperkten tot het wonen op plaatsen waar een gouverneur, resident of assistentresident gevestigd was. Wilden zij zich elders vestigen, dan hadden zij daartoe eene bijzondere vergunning noodig.

In 1871 werd het recht tot wonen van Europeanen voor een belangrijk deel vrij verklaard. Bij de toen tot stand gekomen verordening werd geen onderscheid in rechten meer gemaakt tusschen Nederlanders en andere Europeanen. Zij verkregen, voor zoover zij vergunning tot vestiging hadden bekomen, vrijheid om te wonen waar zij wilden; waren zij toegelaten, dan mochten zij wonen in voor den algemeenen handel geopende havens en tevens op de plaatsen of in de streken na opgave op de betrokken toelatingskaart te vermelden. Dit laatste was een groote vrijheid, daar het verzoek van een toegelatene om op een bepaalde plaats te mogen verblijven blijkbaar niet kon worden geweigerd.

In 1902 werd deze laatste belemmering van de vrijheid tot wonen voor Europeanen opgeheven voor zoover Java en Madoera betreft. Voor de Buitengewesten golden de evengenoemde bepalingen van 1861 en 1871 evenzoo, zoodat ook in die gewesten de gevestigde Europeanen vanaf 1872 woonvrijheid genoten. Voor de toegelatenen veranderde de toestand, zooals die in 1872 was tot stand gekomen,

Sluiten