Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

op de verhouding waarin zij met de inheemsche bevolking verkeerden, ten einde na te gaan of de bestaande bepalingen op de toelating en vestiging (Stb. 1872 no. 38 en 39) ook wijziging of aanvulling behoefden.

De uitkomsten van dat onderzoek waren in zooverre bevredigend te noemen, dat verreweg de meeste in de binnenlanden verblijvende Europeanen voldoende middelen van bestaan bezaten en zich volstrekt niet in minder gewenschte verhouding tot het bestuur of tot de inlandsche bevolking bevonden.

Er waren evenwel hier en daar enkele Europeanen gevestigd, wier middelen van bestaan even twijfelachtig waren als hun moraliteit.

De aanwezigheid van zulke heden zou, naar vermeend werd, wel eens aanleiding kunnen geven tot verstoring der goede orde, ofschoon tot dan toe daarvan niets was gebleken, doch tegen hen meende men voldoende te kunnen waken door toepassing der exorbitante rechten. Een verscherping van de bepalingen omtrent het verbhjf en de vestiging in Nederlandsch-Dadië werd daarom door de Indische regeering ook niet verlangd x).

§ LT. Zelfbestuursgebied.

Inlanders.

Omtrent eenige bnzondere beperking van het woonrecht in de Vorstenlanden van Inlanders, welke gouvernements-onderdanen zijn, is d.z. niets bekend.

Ten aanzien van de Inlanders die behooren tot de vorsten-onderhoorigen zouden omtrent het wonen voorschriften gegeven kunnen zijn door het zelfbestuur a).

Vreemde Oosterlingen.

Wat deze bevolkingsgroep betreft, hun was het verbhjf in de Vorstenlanden geheel verboden.

De bijzondere desbetreffende bepalingen, de residenties Soerakarta en Djokjakarta betreffende, werden ook tyj de ordonnantie in Stb. 1866 no. 56 gehandhaafd.

*) K. V. 1882—83, blz. 62. Zie ook het op blz. 67 medegedeelde omtrent het bepaalde in het Algemeen-politiestraf-reglement. *) Blz. 42.

7

Sluiten