Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

werden aan een zegel van 10 cent. Tegelijkertijd werd aan het bestuur in deze eene zoo buitengewone groote bevoegdheid gegeven, dat het reizen praktisch onmogelijk gemaakt kon worden. Passen toch werden in het belang van den handel en nijverheid of ter bereiking van een ander geoorloofd doel verleend, en konden worden geweigerd, wanneer het belang der openbare rust het tijdehjk verbhjf van den aanvrager in de binnenlanden of op eenige bijzondere plaats onraadzaam maakte. x)

De regeering was zich bhjkbaar bewust, welk een groote bevoegdheid hierbij aan het bestuur werd gegeven, weshalve, onder gelijke dagteekening als deze verordening zelve, aan de Hoofden van gewestehjk bestuur op Java en Madoera bij gouvernements-circulaire werd geschreven, dat de beperking in het uitreiken van passen aan vreemde Oosterlingen en het noodzaken tot voortzetting der reis, niet verder behoorde te gaan, dan in het belang der rust en orde vereischt werd, en dat dit niet mocht ontaarden in willekeur of onnoodige bemoeizucht ten nadeele van handel en nijverheid in de binnenlanden (B. B. 1425.)

Natuurlijk werd door deze verklaring de mogelijkheid tot onbillijkheid hier geenszins uitgesloten.

Vreemde Oosterlingen mochten zich op hun reis niet langer ophouden, dan voor het doel der reis werd vereischt.

Deze bepaling door haar vaagheid aanleiding gevende tot misverstand, werd bij ordonnantie van Stb. 1875 no. 103 gewijzigd.

Zij kwam toen te luiden :

„De personen hier bedoeld, mogen zonder een bijzondere vergunning van het Hoofd van plaatsehjk bestuur, op den pas bekend gesteld, zich gedurende het tijdvak, waarvoor de pas geldig is, niet langer dan één maand in het geheel in dezelfde afdeeling ophouden, en zulks op straffe eener geldboete van / 10 en, bij wanbetaling, van gevangenisstraf van ten hoogste drie dagen2), kunnende zij zoo noodig met den sterken arm gedwongen worden de afdeeling te verlaten."

*) Dit bracht mede dat slechts aan die personen passen werden uitgereikt, die ter goeder naam en faam bekend stonden. (B.B. 3218).

a) Deze bepaling was in strijd met het voorkomende in Stb. 1874 no. 251 en werd daarom bij ordonnantie van 30 September 1892 (Stb. 1892 no. 220) gewijzigd.

Sluiten