Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

B. Het recht tot reizen van 1900 tot heden.

AFDEELING t. JAVA EN MADOERA. §1. Rechtstreeks bestuurd gebied.

Inlanders.

In het vorige hoofdstuk1) werd opgemerkt, dat het reizen van alle Inlanders, behoorende tot de oorspronkelijke bevolking van Java en Madoera, op die eilanden sedert 1863 zonder pas kon geschieden voor zoover het landreizen betrof. Voor zeereizen welke deze personen wenschten te maken, bleef het gebruik van een pas evenwel verplichtend. Ook werd aangeteekend, dat deze passen verstrekt werden door het Hoofd van het bestuur der plaats waar de reis aanving, wanneer althans door den aanvrager een schriftelijke vergunning van den regent (of hoogste inlandsen hoofd over hen gesteld) der afdeeling waar zij woonden, kon worden vertoond.

Bij de afgifte nu van deze vergunningen ontstonden vele misbruiken, welke de regeering er toe brachten, den eisch tot overlegging van een dergelijk vergunningsbewijs, vooraleer de verlangde zeepas werd afgegeven, te laten varen.

Men wilde echter alle controle op de identiteit van hen die zulk een pas aanvroegen, niet doen ophouden, waarom overwogen werd of het niet wenschelijk zou zijn voortaan althans een „soerat katrangan" van het dessabestuur te bhjven vorderen, welke bewijs, hoewel nergens voorgeschreven, tot dan toe ook door de regenten werd vereischt vooraleer door hen de genoemde vergunningen werden afgegeven.

Bij nadere overweging hiervan, Het men dat idee echter varen, omdat men tot de overtuiging kwam, dat zulk een bewijsstuk toch geen nut zou hebben ; het zou toch in de meeste gevaUen waarin het wel zou noodig zijn, onbetrouwbaar blijken, óf het zou wel geloof-

l) Blz. 109.

Sluiten