Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

226

bevelen door en van wege het gouvernement ten aanzien van het landschap gegeven of te geven zal nakomen.

Hierdoor verkreeg de Indische regeering in die gebieden een vrijwel ongebreidelde macht.

Bij de zelfbestuursregelen (Stb. 1919 no. 822) werd eenzijdig deze onbeperkte bevoegdheid omlijnd.

Tevoren was reeds eene soortgelijke regeling tot stand gekomen (Stb. 1914 no. 24) doch zij trad nimmer in werking.

Wordt bij deze verordening vooropgesteld, dat de regeling en het bestuur der aangelegenheden van het landschap zouden worden overgelaten aan het zelfbestuur, door de toevoeging dat zulks geschieden moet onder leiding van het Hoofd van gewestelijk bestuur en de hem ondergeschikte ambtenaren, komt dat zelfbesturen Wel in gevaar. Behalve dat, wordt meer dan één onderwerp genoemd, waaronder zich dat recht van zelfbestuur niet aott uitstrekken. Onder die onderwerpen is ook opgenomen „regelingen in zake het reizen."

Hiermede is derhalve uitgesloten, dat zelfbesturen met de z.g. Korte verMaring zelfstandig voorschriften betreffende het reizen maken, en gelden voor die streken Op dit gebied slechts regelingen uitgaande van den centrftlen of localen indisohen wetgever.

De toestand wat reizen betreft in zelfbesturen, welker verhouding tot het indische gouvernement geregeld ie bij een eigenlijk gezegd politiek contract, is, zooals reeds opgemerkt, afhankelijk van den inhoud van het betrekkelijke contract.

Op de vraag voor welken rechter een zelfbestuuwónderhootige komt die de bepalingen betreffende het passenstelsel overtreedt, kan geen algemeen antwoord gegeven worden. In de verschillende landschappen is op onderscheiden wijae vastgesteld Wie aan de inheemsche rechtspraak zijn onderworpen.

Het valt buiten dit onderwerp deze aangelegenheid nauwkeurig na te gaan; verwezen mag worden naar het proefschrift van A. Mieremet, De hedendaagsche inheemsche reohtspraak in Nederlandsch-Indië en hare regeling blz. 48, e. V.

Sluiten