Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

daar hierbij althans het tweede, graphische bezwaar vervalt. Immers het woord sd.t „vuur" (cat«-) wordt zeer vaak met alleen het liggend kruis als woordteeken geschreven, verbonden met den vrouwelijken uitgang -/ en het determinatief W 37. In de volgende voorbeelden geldt dus *Jdw slechts als een hypothetische wedergave van de groep').

Het woord wordt vaak vermeld naast het „schortkleed" d3jw2) (E. Dévaud, A. Z. 49 [1911], 106 e. v.), dat waarschijnlijk groote afmetingen had, daar het een voetpad geheel kon bedekken (Bauer R 46). Het vertegenwoordigde dan ook een hoogere waarde. D3jw 'ir.n htm III gs *sdw \r.n htm gs „een daiü-kleed van 3'/2 ring en een sedu-kleed van een halven ring" (Pap. Berl. 9784:6 = A. Gardiner, A. Z. 43 [1906], 28). De *sdw wordt 4 Anast. 3 : 1 (= Koller 3 : 2) naast de pdr3) genoemd. Zij werd vervaardigd uit „koningslinnen" (U-nswt = cgctit)4) of uit „mooi lijnwaad van het zuiden" (Ss-Sm'')6), en was soms met bonte motieven bestikt (ji)°). Op de westzijde van den Pamphilius-obelisk (IW) *) heet Domitianus de vorst dd nb.twj mtf.wt.sn m r3.f mne.t.n Rr.twj tp nwj.t.f „wien de beide godinnen haar borsten in den mond gaven, die gevoed was door de beide Nijlpaardgodinnen in zijn windsels". Het woord nwj.t (aldus door Erman gelezen op grond van Mar. Dend. I. 74^ = de Rochemonteix, Edfu I. 428, 9) is geschreven op de wijze, zooals voorbeeld III van Bijlage III te zien geeft. De inscripties van den romeinschen keizertijd zijn vol van pseudo-klassieke woordvormen; en het genoegen, dat men vooral toentertijd in spelende scripties schepte, was de oorzaak van het ontstaan van deze eigenaardige groep. Is het echter niet mogelijk, dat wij hierbij te maken hebben met een foutieve copie van ons woord *sdw onder invloed van het meer bekende nwj.t?

Voor de beteekenis, die *sdw in onzen text heeft, zijn van eenig gewicht twee litteraire gegevens, die uit dezelfde periode stammen als de beide sprookjes. In Koller 3 wordt de overdreven elegante kleedij van een scheepsmaat gehekeld, wiens lange lokken (nbdJ) neergolven over zijn schouders. 'Ir./ gwtn fidr.w n

') Een soortgelijke „spelende schrijfwijze" heeft Medic. Pap. Kahün 2:21 ook voor het woord w3dw „groen blanketsel", met N 49 -j- N 42. Vgk ook * hd-dw = hdwy Pap. Hearst I : 10.

2) Pap. Berl. 9784: 5/6; 5 Anast. 13:4 e. v.; Pap. Leiden I. 352:7.

3) Van ^OQ- d'Orb. 4:6 determineert naar analogie van dit woord ook pdr „vet" ("HD) met het teeken V6; trouwens ook de uitspraak van den eersten radicaal schijnt hier onder invloed van pdr „draad" te hebben gestaan, daar de eigenlijke lezing ftr nog 4 Anast. 15:3 bewaard gebleven is. De pdr is een dikke draad, die uit vier linnen banden snb (Brugsch, Recueil I. 16:22) was samengevlochten.

4) Pap. Harris 14a: 14; 630:8; vgl. Acta Orientalia UI (1924), blz. 130.

») Pap. Leiden I 358:8; Pap. Harris 14^:7; Inscr. Hier. Demot. Char. XXIV. 5643 :7 j H. von Bergmann, Hierat. Texte 1:2, 5. 8) Pap. Harris 63 <5: 17.

7) Geciteerd naar A. Erman, Römische Obelisken (Abhandl. Akad. Wiss. Berlin [1917], n° 4), blz. 27 e. v.

Sluiten