Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

Mh knj. Knj beteekent als substantief (als verbum zie bij VI. 6) „omarming, schoot", of ook datgene wat men in omarming besloten houdt; knj „garve, ipiyfut, kha&t" vindt men reeds in het M. R. (F. Vogelsang, Bauer, blz. 49), zie boven, blz. 4 e. v. In enkele passages is dit woord knj absoluut bewaard gebleven: twj m knj.k „gij omarmt mij op uw schoot" (Pap. Harris 500, Recto 7:4); *3.f m knj./ „met zijn zoon op schoot" (Harmheb, Trans. S. B. A. 3 [1874], 486). In deze beteekenis wisselt het woord af met hp.t. Men vergelijke bijvoorbeeld dj.n./ wj r hp.t./, „hij omarmde mij" (Sinühe B 143, A. Gardiner, Notes, blz. 52) met de coptische uitdrukking ^ epp<\i eKoimcj (Zoëga 537) '). De beteekenis „schoot" blijkt uit de volgende passages: \tj r knj „op schoot nemen" (Mutter und Kind, Verso 4:1); knj ddw.k hr./ „de schoot, waarop gij ligt" (ibid. 5:7);»? ntj m knj n3y.sn hnmm.wt „die op den schoot hunner voedsters liggen" (4 Anast. 10: 3, zie Maspero, Et. d'Arch. Mythol. V, blz. 291), en p3 Srj tw.tw s.hpr./ (sic) r nhm./ m knj „men zal het kind wegrukken van den schoot zijner moeder" (5 Anast. 10: 6). Het is zeer waarschijnlijk, dat ook het substantief kny.t, masculinum knw (H. Schafer, Mysteriën des Osiris, blz. 16) „de draagstoel of divan van den vorst" zijn benaming te danken heeft aan een uitbreiding van hetzelfde begrip 2). In onzen text hebben zoowel mh als knj nog hunne oorspronkelijke beteekenis: het subjectssuffix is bij beiden verschillend. Zoodra echter mh en knj hetzelfde suffix hebben, wordt mh-knj tot een vaststaande samenstelling, die in de brieflitteratuur van het N. R. tot een gewone beleefdheidsformule wordt: mtw.j mh-knj.j 'tm.k [hrw nb\ „moge ik u dagelijks in de armen sluiten" 3).

Mh-knj is een omschrijvende samenstelling voor het verbum

') In Hosea 8:1 wordt Wc xtfAsrw mrSn, vertaald door e^SpHl *cK€riOV (vgl. K. Sethe, Verbum I § 144).

2) „Le divan du roi, doublet de knw, salie d'audience" (A. Moret, A. Z. 39 [1901], 13 aanm.). Maspero neemt een beteekenisverschil tusschen den mannelijken en den vrouwelijken vorm aan (Et. d'Arch. Mythol. IV, blz. 35 e. v.), en werkelijk wordt de knw (LD. HL 32:30; Urk. IV. 705; A. Erman, Westcar I, blz. 44) van de kny.t (Inscr. Mes, blz. 12 en Westcar 7:12) gescheiden gehouden. De knj, waarvan de religieuze texten (Pyr. 2044a; P. Lacau, Textes Relig. 63 : 2; Tombeau de Séti I:m, pl. 5) spreken, is „a peculiar costume or a recognizance which at once distinguishes and protects him" (J. H. Breasted, Development, blz. 134). Dat de naam van dit kleedingstuk ontleend is aan knj „omarmen, omgeven" is zeer waarschijnlijk; men zon het misschien kunnen vergelijken met het slechts éénmaal voorkomende woord tf.t n knj „dolk voor den gordel" (1 Anast. 25 :7). Geen verband met dezen stam schijnt daarentegen knj „mat" (Kahün Pap. 30:45; vgl. Westcar 10:1 = 11:7; Urk. IV. 1104) te hebben. Mogen wij met de £«/-mat, die Urk. IV. 1104 onder den zetel van den vizier, als hij ter terechtzitting komt, moet worden gelegd, de „cloth of law" vergelijken, die in Afrika bekend isï (R. Dennett, At the Back of Black Man's Mind [1906], blz. 46 en A. C. Hollis, Masai, blz. 301 en 345).

*) Pap. Leiden I 361. I : 3 en I 366:6; Bibl. Nation. 198. I : II en 199. 4:1; Pap. Bologna 1086:6 en 1094. 8:9; Pap. Tur. 114:5; 116:4; 129:4; 130:8enz.

Sluiten