Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

65

haastig ging om bronwater voor haar te halen, greep haar een krokokil" (Westcar 12 : 19, 26); mïr méw 'tbw m dj 'it msh „laat het toevluchtsoord niet verdorren en sta niet toe, dat de krokodil [zijn buit] meesleept" (Bauer B 223 e. v.). In deze voorbeelden is de oorspronkelijke beteekenis versmolten met het begrip „stelen"'). Het verbum wordt eveneens gebruikt van slangen, die de voorraden der boeren stelen: 'iw 'it p3 h/3w gé bd.t \w wnm p3 db kt.h.t „de slang ontrooft hem de helft van zijn koren en het nijlpaard vreet de rest op" (1 Sall. 6: 3).

H31f. Terecht veronderstellen A. Erman en H. Ranke (Aeg. u. aeg. Leben, blz. 438), dat „an der Fassung dieser letzten Satze auch die Priesterschaft von Theben nicht unbeteiligt gewesen sei". Immers de belofte, een deel van den buit terzijde te zullen leggen voor het tempelbezit van Amon in Thebe, vinden wij geregeld in de groote triomfliederen vermeld. "Iw grt dj.n hm.j 3h.t ét3.w MCCCC r lh.wt n.t htp-ntr ww cé3 m ré mh.tjnhb.n.jpr.f m--grg m mr.t mh.n.j éw m h3k.t.j m fylé.wt ré.t mh.t.t - - mj wd.t.n itf.j 'Imn nb Ns.wt-t3.wj „ik gaf aan landerijen 1400 morgen als basis voor offergaven, vele districten in het Zuiden en Noorden; ik richtte zijn tempel in met..., voorzien van slaven; ik vulde den tempel met mijn buit uit de vreemde landen van het Zuiden en Noorden overeenkomstig het bevel van mijn vader Amon, heer van Karaak" (Urk. IV. 172); mh t3y.k h.t-ntr m t3j.j h3k.t „[ik] vervul uw tempel met mijn buit" (3 Sall. 2:6; vgl. Pap. Harris 77:6).

De stam h3k, die graphisch 2) vaak verward werd met den stam hk3 (b.v. Urk. III. 7), wil zeggen „de medegenomen buit"3), en wordt daarom dikwijls als object bij In gevoegd (Urk. IV. 684, 690, 1094), als een vaststaande formule: h3k.t h3s.wt nb.t ïnn.w m rifyt hm.f „de buit van alle vreemde landen wordt aangebracht als [bewijs] voor den triomf des konings" (Urk. IV. 1103). Dat met h3k.t ook de krijgsgevangen bewoners bedoeld worden, zooals dit in onzen text het geval is, blijkt uit h3k rmtJ mnmn.t-s „de bewoners der [stad] en haar veebezit als buit wegvoeren" (Urk.

') Coptisch AfJTpe OVHOS M«fc,C&p_ Tiupit jATÏ.pUJJA.e, Guimet 25, blz. 418, vgl. Mythos 16 : 26 e. v.

2) Omgekeerd staat Sinühe B 86 e. v. A3k abusievelijk voor Ai3 (R114, A. Gardiner, Notes, blz. 41). De verwisseling van beide woordteekens viel reeds aan Flavius

Josephus op: ri yltf Vx koS' t$ph> yKOvo-m part?Jce (&t3) vniuuvei h J^AA*

mTiypifyip 06 PecvtMis eyfixi'veo-dxi Sièt t?c toV vx yrpoirvjyoptixt;, £aa& tovvixvti'ov t&fflM&tarw^ (]}3k) ftfAsifofci xotfthat (Flav. Joseph., Contra Apionem I. 14). Voor de zwakte van uitspraak van de aleph pleit ook de woordspeling H3k hè.tj m rn.f pwy n hk.t „die het hart overmeestert in zijn naam van Heket" (Pap.' Leiden 348, Verso 13:3), en de schrijfwijze Ai (Urk. III. 127, en demotisch II Kh. 5:37; Petub. 7:22). A. Ember (A. Z. 49 [1911], 88) plaats A3A als stamverwant (?) naast "S^H-

^ Vgl. den term U-A3A „kom en neem het mede", d. w. z. „de lichte buit" (Urk. IV. 6, 659, 691; K. Sethe, Verbum H §700 en A. Gardiner, Admon 6:9; Ree! Trav. 26 [1904], 14)1 met het bevel U 1» n.j „ga het snel voor mij halen" (Westcar 8:9).

s

Sluiten