Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

cnh wd3 snb. De gewoonte, deze formule achter den naam of titel~van den aegyptischen koning te plaatsen, heeft zich ook tot den naam van diens woning, paleis of tent uitgebreid:/r-«.ratf enh wd3 snb gebruikt geregeld de Pap. Westcar (4 s 22, 25; 6 : 14); stp-s3 cnh wd3 snb (Urk. IV. 165; J. H. Breasted, New Chapter, blz. 8; Urk IV. 34 en 1095); zoo ook in de uitdrukking ntr.w m 'ch 'cnh wd3 snb „de goden in het paleis" (Pap. Tur. ll2- S)i alwaar de woning ') van Rê als koning van het godenrijk bedoek! is. In de Annalen van Thotmes III wordt gesproken van pr n nh. wd3 snb of \3m n cnh wd3 inb (Urk. IV. 652, 656). Men kan « hier opvatten als praepositie van den „genitivus exphcativus , in welk geval wij dus met een variant van de voorgaande uitdrukkingen te maken hebben. Beschouwt men n echter als praepositie van den „genitivus possessivus" vóór cnh wd3 snb, dan moet men dezen term opvatten als een verkorten vorm van den gangbaren koningstitel, of desnoods als een abstractum pro concreto; dit zou dan de mogelijkheid aan de hand kunnen doen, dat ook in stp-s3 cnh wd3 snb een genitivus constructus schuilt, terwijl men dan genoodzaakt zou zijn, in den term pr-nswt 'nh wd3 snb deze laatste bepaling alleen bij het tweede lid der samenstelling pr-nswt te trekken. In elk geval zou dan van een personificatie van het beerip „paleis" geen sprake zijn. Deze mogelijkheid wordt echter uitgesloten door een reeks van texten, die duidelijk het paleis als Majesteit" op één lijn stellen met zijn doorluchtigen bewoner. De woning van den vorst en diens omgeving, op wie zijn heerlijkheid afstraalt, heet hm n étp-s3 (Urk. I. 139; Sinühe B215; Urk IV 194; A. Gardiner, Notes Sinühe, blz. 83; Annales du Service 10-153) of, zelfs met de volle koningstitulatuur, hm n stp-s3 cnh wd3 inb (Urk. IV. 342, 651, 1021 [sic]).

Prj r-bnr. Deze zegswijze is eigenlijk een pleonasme, zooals vooral het Coptisch dit herhaaldelijk met zijn gebruik van e&o'k vertoont en in het Aegyptisch bij het verbum prj schering en inslag is: m-lr pr r-bnr tm.t p3 Tm hr \t3.k „ga met naar buiten, opdat de stroom u niet meesleure" (d'Orb. 10: 1); iw.tw hr ditwi r t3 é.t ntj tw.j ImJt Iw.j hr hpr bn-tw.j rh pr.t r-bnr m t>3i i êhr.w „Toen ik verwezen werd naar de plaats, waar ik mij nu bevind, gebeurde het, dat ik daar niet meer vandaan kon komen, zooals [dit vroeger] mijn gewoonte was' (Pap. Leiden I *7i : 21 m Acta Orientalia III [1924]» blz. 123).

Tsy Het verbum staat in de oude doodentexten dikwijls in parallelismé met rij „waken", nhè „ontwaken" (Pyr. 837«; 894^95 vgl ioii*-ioi2a en Lacau, T. Relig. 12:4), met ,3k (Pyr. 139*) en prj (Pyr. 479«)> met #7 „vliegen" (Pyn 1948 a) ^^^ff: staan, herleven" (A. Z. 53 [1917]. 75 i vgl- E. Améhneau, Proleg. II,

O Onjuist is de transscriptie pr-% die G. Röder in plaats van geeft (Religiöse Urklndên,1lz I39)- De Pap. Harris (3 : 8) spreekt van °A iptt, „het eerwaarde pale.s .

Sluiten