Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

of n.w r3-c-htl) „van het vechten" (K. Sethe, Verbum I § 190 en II § 567 A, noot). In dit verband staat het soms in parallelisme met hkr „de militaire versierselen": s'b.w m hkr.w.f n.w r3-c-ht „getooid met zijn strijdersuitrusting" (Urk. IV. 657); dj.j m33.in hm.k "pr m hkr Sip hz.w-ch3 hr wrr.t „ik maak, dat de [vijanden] u aanschouwen, uitgerust met uw bewapening, terwijl gij de wapens aanvat op den strijdwagen" (Poëtische Stéle, Urk. IV. 615, waaraan Seti I later een passage in zijn triomflied ontleende: Champ. Not. Descr. II. 96). De uitdrukking jf.w [nb] n Qh3 „wapenen van den strijd"2) is, evenals hc.w n r3-e-ht, tot één geheel geworden; beide kunnen dan nog eens versterkt worden door uitdrukkingen als „om te vechten" e. d.3). Spd m h'.w n.w r3-c-ht r ch3 r msc hm.f „klaarstaand met de wapenen van het gevecht om te strijden tegen de troepen van Zijne Majesteit" (Urk. III. 10). Naar analogie van hc.w n r3-c-ht is trouwens de samenstelling H'.w nb n.w r3—ch3 gevormd (3 Sall. 4 : 5).

50 Bij uitbreiding neemt hc.w n.w r3-c-fyt in enkele gevallen de verschillende beteekenissen in zich op, die het simplex $w heeft. Wanneer in ons verhaal wapenen en verdere reisbenoodigdheden aan den prins worden verstrekt, drukt de schrijver dit alles uit door de boven besproken samenstelling. Hetzelfde geldt voor de passage uit het sprookje der Twee Broeders: wn-}n.f hr )t3p3y.fH.tj hnc n3y.f tww m-mjt.t n3y.f hbi.w hn' n3y.f h'.w n.w r3-c-ht „hij pakte tezamen zijn staf en sandalen en kleederen en verdere reisbenoodigdheden" (d'Orb. 13 : 1).

Diy.tw.f. In dezen vrouwelijken infinitivus heeft de w geen grammaticale beteekenis, doch zij is slechts een graphische aanduiding, dat de voorafgaande t, welker uitspraak reeds aan het afslijten was, nog tot haar recht moet komen (K. Sethe, Verbum II §596; vgl. §674); zie ook bij VI: 2.

Rwd iib.tj. De beteekenis van rwd is niet met zekerheid aan te geven. De vertaling „oever" is ontleend aan de gevallen, waarin het woord door toevoeging van imn.tj („westelijk") of \3b.tj („oostelijk") nader wordt bepaald. Behalve de voor deze quaestie onbelangrijke passage in Sethosrechnungen II. 1, wordt een rwd \3b.tj alleen nog in onzen papyrus vermeld. Doch wij zullen in Bijlage I zien, dat het verhaal van den Prins, zooals elk sprookje, naar vrije verkiezing geographische namen en uitdrukkingen gebruikt, zonder dat men mag verlangen, deze aan de werkelijkheid

') R. Lepsius, Auswahl 16: 10; Urk. IV. 691, 699, 732; LD. III. 199a; Pap. Koller 1 :a. Evenals Urk. IV. 656 Ifw met W 59 is gedetermineerd, wordt in een tateren text het woord in deze samenstelling door de speer vergezeld (E. Naville, Mythe d'Horus 22 : 22)

2) Stéle van Amenophis II te Karaak, regel 6—8 = Maspero, Et. Archéol. Mythol. IV, blz. 199; E. Naville, Mythe d'Horus, 15: 4 e. v.

3) Vgl. sspd kf'W.tn r-nt.t hu.tw r thn r CA3 „maakt uw wapenen gereed, want men gaat den strijd beginnen" (Urk. IV. 656).

Sluiten