Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

te kunnen toetsen. Het verbum d3j alleen wijst hier op de beteekenis „oever". De term rwd 'mn.tj sluit zich hierbij aan in Pap. Harris 77 : i: p3 rwd \mn.tj ïT-m H.t-k3-Pth r Krbn „de westelijke oever vanaf Memphis zuidwaarts tot Kerben" (vgl. A. Z. 40 [1902/3], 104). Daarentegen moet rwd, in de uitdrukking n3.n ntr.w p3 rwd ïmn.tj „de goden van den westelijken rwd" (Pap. Bologna 1094. 7: 3), een algemeene term zijn voor „domein, district"'). De Libanon is de „landstreek" (rwd), waaruit het beste hout voor Amon's godenbark wordt aangevoerd (Wen-Amon 2:25); de md3y n p3 rwd n p3 R1 zijn de marechaussée's, wier provincie in het godendomein van den Zonnegod ligt (5 Anast. 25:3 e. v.). „De troepenmacht is opgesteld" hr p3 rwd n h3w n • - P-lrr2) „in het district rondom Pe-irer" (Mariette, Karaak 53 : 36 = Düm. Hist. Inschr. 3 : 30). Wanneer het woord rwd niet nader bepaald wordt door „oostelijk" of „westelijk", is de beteekenis derhalve algemeen „district, domein"; wanneer deze bepalingen wel zijn toegevoegd, kan de bijzondere beteekenis „oever" bedoeld zijn, doch noodwendig is dit niet. Het woord zelf hangt samen met rwd „hard" en beteekent waarschijnlijk „de vaste grond, de harde steenen bodem". Een plaats in de Delta, wier geographische ligging nog niet nader aan te geven is, heet t3-rwd (A. Z. 58 [1923], 32). . . , .

3Ih. De partikel ih versterkt, in optatmsch-imperatieve zinnen, den~sdm.f-vorm van het werkwoord (A. Erman, Gramm. § 293; K. Sethe, Verbum II §§ 144^, 158^): ih rh.k sw „houd u dit voor gezegd" (1 Sall. 6:9); ik. h3b.k n.j „zend mij toch bericht" (5 Anast. 21 : i; Pap. Tur. 16:9). Gevolgd door de negatie tm: ih tm.f hsw „moge hij geen koude lijden" (Lebensm. 46); ih tmj sbh [n] nrw.k „laat mij niet schreeuwen uit angst voor u" (Bauer B 30); ih met het onpersoonlijk passief: ih wd.tw dj.t \ry.j p3 wd.t.n p3j.j nb „laat men bevelen, dat mij toegestaan wordt, de opdrachten van mijn meester te volbrengen" (Urk. IV. 1069); ih dj.tw nj m3z.t mj ir.t.j sï „laat men mij rechtvaardig behandelen, daar ik ook zelf de rechtvaardigheid betracht" (Urk. IV. 492). "Ih. absoluut gebruikt als partikel van uitroep: ih p3 bt3w „welk een schande!" (d'Orb. 3:10 e. v.). Geheel los van het verband staat ih in de passage Pap. Leiden I 371 : 5, welke ik in de Acta Orientalia III (1924), blz. 114 uitvoerig heb besproken. Daar in onzen text ih sm.t.k het verbum in den sdmf-vorm behoort te staan, moet dus de / met het determinatief tot één groep worden gerekend; vgl. ij.t in IV : 12.

'Iiw.t n his.t. „Le collectief cw.t3) désigne deux catégories

') Vgl. Chabas, Mélanges Egyptol., 3de Série II, blz. 252.

2) De door H. Brugsch (A. Z. 1869, 98) voorgestelde gelijkstelling *P-\rr-Sfi = Tlfóvwcti vervalt, daar het teeken A 129 determinatief is.

3) z/3w.t is de n.-aeg. vorm van 'w.t (Ree. Trav. 19 [1897], 90; O. I.. Z. 1923, 324).

Sluiten