Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

in de texten vermeld vinden, heeft twee duidelijk onderscheiden beteekenissen:

i° „grond, aarde": 'iw.f hr wBh tBy.f Btp.t r pB iwtn „hij legde den last, dien hij droeg, op den grond" (d'Orb. 6: 3), var. hBf r pB 'ïtn „op den grond werpen" (Petub. 3 : 22 en 5:8) of hwj r 'iwtn „tegen den grond gooien" (Israèlstèle 6); hmsj r pB 'iwtn „op den grond gaan zitten" (Pap. Tur. 124:9). In deze voorbeelden heeft r pB 'iwtn een zeer onbepaalde, bijna adverbiale, kracht en zou door r-hr vervangen kunnen worden. Scherper omlijnd is het begrip, wanneer in het bijzonder „de begane grond" (zooals in onzen text) of de „aardbodem" bedoeld is: pi ïwtn hnc ntj nb ktkt hr.f „de aardbodem met alles, wat zich daarop beweegt" (Pap. Leiden 343, Verso 1:4); shk '1 ïmt.f hr 'iwtn n sjB.tw.f „de ..., die ongekend op aarde wandelt" (1 Anast. 10:2); rwd bd.t hr pB 'iwtn „gerst groeit op de aarde" (Ostracon Florence, edid. A. Erman, A. Z. 18 [1880], 97); ck r pB ïtn „in den grond verzinken" (I Kh. 4: 29). Vandaar dat wij 'iwtn eenige malen in tegenstelling met „hemel" e. d. genoemd vinden: tB hrj.tpB 'iwtn pB Tm CB pB (sic) tBw nB Snc.t „hemel en aarde, de groote zee, de winden en wolken" (Cheta-verdrag 30); evenzoo 'itn naast p.t (Mythos 14 : 11 c v.);

2° „stof": 'iw.f wrh n 'iwtn „hij zat in zak en assche" (d'Orb. 8:7); 'ir ïtn „tot stof vergaan" (Mythos 2:4); hpr m 'iwtn met gelijke beteekenis (Inscr. Dédic. d'Ab. 31). Het coptische

CTitip „asch" gaat terug op *ïwtn n ht, lett. „houtstof"'). Deze overdrachtelijkheid van beteekenis heeft 'iwtn gemeen met andere woorden, die oorspronkelijk „grond" of „bodem" aanduiden: dmj.n.j sBtw dj.n.j sw snn hr Inby.j „ik raakte den grond en goot het [stof] uit over mijn lokken" (Sinühe B 200 e. v.); sk.n s 3Is.t m d.tJt hn" tB wnn.t hr.st „Isis kneedde het eigenhandig met het stof, dat eraan kleefde" (Pap. Tur. 132: 3). Het woord kch, dat oorspronkelijk „klei" beteekent (Urk. IV. 57, 1152), duidt later, evenals y?3), het stof der aarde aan: syw ié s'iijli yij xdi <nróSó$ (Genesis 18 : 27) werd in de coptische vertaling: amok amok ovkaoi ne*.OTTKtpJM(variant oireTmg naar Epistula Clem. 17:2).

Hirw. Zie Bijlage I. Hierbij zij nog op de volgende woordspeling gewezen: daar men den koning vergelijkt met den echtgenoot, die zijn vrouw (onderdanen) beschermt (Petrie, Tanis II pl. 2:78:9), zeiden de Aegyptenaren van het overwonnen Syrië: HBrw hprw m hBr.t n TB-mrj „Syrië is voor Aegypte als een weduwe (hBr.t) geworden" (Israëlstèle 27).

9Iw.é n.f. Zie bij 1:9. 3Iw r hm.t = ïr.tw m hm,t (Pap. Leiden I 371 : 8).

') W. Spiegelberg, A. Z. 53 (1917). 132 en E. Dévaud bij W. Spiegelberg, Handwörterb., blz. 301. —

*) Evenzoo yma in Ilias VII. 99 en XXIV. 54, en 6ITM in plurali (W. E. Crum, in P. S. B. A. 21 [1899], 250).

Sluiten