Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124'

brieven, ed. J. A. Kundtzon, n° 46: 10 e. v.); panüja ana alaki ana amari pani Sarri bèlija „mijn gelaat is gericht om te gaan aanschouwen het aangezicht van den koning, mijn heer" (ibid. n° 151 : 8—9).

Kol. VI. hr ir m-ht (sic) Sw3 hr (j) nn wn-in p3 hrdw hr \j.t r pztry.t hnc n3 (sic) hrd.w n3.n wr.w iw.f hr pwy.t iw.f hr (6) ph p3 ssd n t3 Srj.t n p3 wr n Nhrn iwJt hr sn.f iw.St hr knj.f hr (j) If.t.f nb.t wn-in.tw.f (sic) hr hn.t r s.ndm-ib n p3y-st itf iw.tw hr dd n.f ph (sic) wc n rmt p3 (8) ssd n t3y.k Srj.t wn-in p3 wr hr ndnd.f m-dd Srj nïmc m n3.n wr.w iw.tw hr dd n.f (o) Srj n wc n snnj ij.t.f m wcr m p3 t3 n Km.t r-h3.t t3y.f mw.t ij.t-msy (?) wn-in (10) p3 wr n Nhrn hr knd.t r-c3.t-wr.t wn-in.f hr dd in-iw.j hr dj.t t3j.j Srj.t n p3 wcr (ïi) n Km.t immz SmJ.f n.f cn iw.tw hr \j.t dd (sic) n.f ? f-?4: r p3-ntj iw.n.k im (sic).

„Nadat vele dagen sindsdien voorbij waren gegaan, ging de jongeling opstijgen met de zoons der vorsten. Hij steeg op en bereikte den erker van de dochter van den vorst van Naharin. Zij kuste hem op al zijn leden en omarmde hem. Men ging hiervan mededeeling doen aan haar vader, en men zeide tot hem: „Een man heeft den erker van uw dochter bereikt." — De vorst informeerde naar hem, zeggende: „De zoon van wien uit de vorsten is het?" — Men zeide tot hem: „De zoon van een militair. Hij kwam als vluchteling uit het land Aegypte, [vluchtend] voor zijn stiefmoeder (?)." — De vorst van Naharin werd zeer vertoornd en sprak: „Moet ik mijn dochter dan geven aan dien vluchteling uit Aegypte? Laat hij maar weer heengaan." — Men ging hem zeggen: „[Keer terug] naar de plaats, vanwaar gij komt."

Commentaar.

De text In de lacune van regel 11 is nog i[j].t te onderscheiden; vandaar de aanvulling dd n.f \ij£ nJt c«] r p3-ntj, welke in de vertaling is opgenomen. De redactie van deze gansche passage is zeer slordig. Slechts één verschrijving (n p3 wr regel 6) is door correctie goedgemaakt. In regel 4 zijn vóór sw3 hr nn de woorden hrw.w knw weggevallen. In regel 5 leze men »i.[w] hrdw. In regel 7 staan de woorden: iwJt hr Sn.f iw.st hr knj.f hr hc.t.f nb.t. Blijkens de boven bij V : 13 besproken constructies van knj en sn, is in dezen zin de bij sn behoorende appositie hr If.t.f nb.t ten. onrechte bij knj getrokken (zie vertaling en VII: 2). In regel 7 is wn-in.tw.f het onpersoonlijk passief; het suffix is derhalve onjuist. Ph wc n rmt moet perfectisch zijn: ph.\n\wc n rmt. De waarschijnlijkheid, dat ook in de woorden ij.t-msy een verschrijving schuilt, is boven bij V: 12 besproken.

Sluiten