Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

M wV. Wcr is het als nomen gebruikte participium imperf. act.'): wcr wzr n hSw.f „de vluchteling vluchtte in zijn tijd" (Sinühe B. 149); tw.k mj SS3 m wcr „gij zijt als een vluchtende antilope" (Pap. Koller 2:4 = 4 Anast. 2:6). Dit laatste m wcr zou in dit verband ook infinitivus kunnen zijn: wcr.Sn m wzr n rh.tw bw sm.sn lm „zij slaan op de vlucht en men kent de plaats niet, waar zij gaan" (Urk. III. 36). Deze infinitivus m wcr staat derhalve gelijk met de omschrijving m r3-z wcr „in the very act of flying" (Pap. Tur. 79: 6), of met de constructie door het pseudoparticipium: wnn./ wcr „hij is op de vlucht" (Pap. Kahün 34:20). Dat wij in onzen text met een participialen vorm te maken hebben2), blijkt ook uit regel 10, waar eenvoudig van p3 wcr „den vluchteling" wordt gesproken (vgl. het voorbeeld Sinühe B. 149). Als zoodanig kan het woord ook den nominalen pluralis aannemen: n3 ntj m wcr.w Iw r nw.t.w „zij, die vluchtend zijn, keeren terug naar hunne steden" (Lied op Ramses IV, op een ostracon te Turijn, bij Maspero, Ree. Trav. 2 [1880], 110 e. v. = id., Et. Archéol. Mythol. IV, blz. 249), vgl. A. Erman, Gramm. §401.

Knd. Het woord wordt geschreven met den beteekenisloozen uitgang / (K. Sethe, Verbum I, § 294), evenals in dr knd.t-ib „den toorn des harten verdrijven" (Straatsburg H 111 :7, bij W. Spiegelberg A. Z. 57 [1922], 70); 3bw Sm'.tj m knd.t „een toornige panter uit het zuiden" (Pap. d'Orb. 3:8); m-dj.t knd.t „wek den toorn niet op" = tm.k knd.t „wees niet toornig" (1 Anast. 17 : 8 en 13 : 4), en dgl.

R-c?.t-wr.t. Zie IV : 5.

'In-iw. Gewoonlijk wordt op den vraagpartikel ln-lw („nonne") een bevestigend antwoord verwacht (F. Vogelsang, Bauer, blz. 128), terwijl het antwoord op In negatief3) of althans indifferent4) is. Wanneer wij dus den text intact willen houden en ln-lw niet in in veranderen, moeten wij na dezen vraagzin een gedachtestreep plaatsen: „Volgens de voorwaarden van den bruidsstrijd moet ik dus nu werkelijk mijn dochter schenken aan den eersten den besten vreemdeling ? — Dat nooit! Laat hij maar liever voor immer mijn gebied verlaten."

Smt.f n.f. Deze dativus ethicus is speciaal nieuw-aegyptisch (vgl. A. Z. 59 [1924], 94). 3Iw.j sm.t n.j r Spr (?) p3 lm* „ik ging naar de zeekust" (Wen-Amon 2 : 62); Ié bw Ir.k dd n./ mn mtw./ sm.t n./ „waarom hebt gij niet „neen" tegen hem gezegd? Dan zou hij weggegaan zijn" (5 Anast. 11 :6); wn-ln./ hr Sm.t n.f „hij trok weg" (Pap. d'Orb. 8 : 6—7); Iw.j r Sm.t n.j r tB ln.tp3cS

') De infinitivus zon hier de praepositie hr vereischen: tw.k hr hn.t hr wV „gij gaat op de vlucht" (Pap. Koller 2:2 = 4 Anast. 2 :4).

2) Het vrouwelijk substantief is w'rJ(S33.t) „de (door het noodlot bepaalde) vlucht" (Sinühe B 262). Vgl. blz. 119.

3) F. Vogelsang, Bauer, blz. 91.

4) A. Gardiner, P. S. B. A. 35 (1913), 272.

Sluiten