Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

texten (68\e) voor; dit blijft dan de gewone constructie: ir tnr.k nfr smt.k nhm.tw mc dzv.t nb.t siw hr sp cwn-lb „wanneer gij wilt, dat uw karakter goed is en dat gij vrij zij t van al het kwade, hoed u dan voor hebzucht" (Pap. Prisse 10 : i); nhm-ki-tw hb m (sic) F? „men zal aan Rê zijn ladder ontnemen" (Lacau, Textes Rel. II: 25); n nhm sw mc.j „er is niemand, die hem mij kan ontnemen" (Med. Pap. London 15 : 10). De in het Demotisch

en Coptisch gewone verbinding nhm n-t.t (motoa ntc, Petub. n° 207; Mythos 18 : 29—30), welke met nhm + r (€ Mythos n° 432) afwisselt, komt reeds in de 2i*te dynastie in het hiëratisch voor: nhm m d.t (Pap. Berl. 8523, Recto 8). Voor nhm + lijdend voorwerp („redden") zie A. Gardiner, Notes Sinühe, blz. 42.

Nn. Voor de constructie nn ... nn „noch... noch ...", gevolgd door de omschrijving van het verbum finitum (door middel van hv), zie men B. Gunn, Studies in Eg. Syntax, blz. 163 en 172. De negatie heeft hier een zeer emphatische kracht, zooals blijkt uit een vergelijking met de beneden aangehaalde passage uit Pap. Leiden I 371.

'Iw.j r wnm. Wnm is de onbepaalde infinitivus (zie IV : 2), vaak na een als conjunctie en dgl. gebruikte praepositie (= ciCOTiujtc, zie A. Erman, N.-Aeg. Gramm., § 235 e. v.). De praepositie r leidt het verbale praedicaat in, met beteekenis van een futurum (K. Sethe, Verbum II, § 568^; vgl. Pap. d'Orb. 5:4: iw.frir.f= €tj€AAtf ; Pap. d'Orb. 16:4: Iw.j r sdm = *ei€CU>TJr\.e.d.). Voor den zin zelf vergelijke men: bn.tw.j hr wnm hr swr m shrw n rmt „ik at noch dronk, zooals anderen dit doen" (Pap. Leiden I 371:31).

'Iw.j r mwt. Vgl. Pap. d'Orb. 5:3: ir dj.k enh.f iw.j f mwt n.j „wanneer gij hem laat leven, zal ik zelfmoord plegen". De toevoeging van n.j in dit voorbeeld is geen dativus ethicus, zooals bij het boven besproken Sm het geval was; doch deze dativus vervangt een reflexieve uitdrukking: iw.w gm.tw m cdfy Iw.w wBh.w hr-c.wj m t3 st-smtr iw.w mwt.n.w' ds.w „zij werden schuldig bevonden en terstond naar het huis van bewaring gebracht, alwaar zij zelfmoord pleegden" (Pap. Judic. Tur. 5:4; vgl. mwt m d.tw r-hc.tw „sterven door hun eigen hand", ibid. 2 :6).

Sterker dan iw.j r mwt is, in regel 15: iw.j mwt.k „ dan zal ik reeds dood zijn", welke uitdrukking van belang is voor de uitspraak van den uitgang -hwj van het pseudoparticipium iste pers. singularis (vgl. K. Sethe, Verbum II, § 37). Evenzoo vinden wij in het Demotisch zeer vaak den pseudoparticipialen vorm hms.k, zelfs wanneer een geheel andere vervoegingsvorm bedoeld is (Mythosglossar n° 533; Par. Dem. Todtb. n° 185), waarbij de semiconsonanten in den uitgang -wj steeds ongeschreven blijven.

Of wij in het coptische iakotk == * n-kd.kwj(?) nog een herinnering aan dit gebruik over hebben, is niet met zekerheid uit te maken (zie W. Spiegelberg, Handwörterb., blz. 76).

9

Sluiten