Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»43

onzen text zeer aannemelijk. Een bezwaar is echter de grammaticale vorm. Onze text geeft m fdk3, met den alef geschreven, evenals in LD. VI. 115:31. Het zinsverband echter vereischt een substantivum; doch het nomen, dat van dezen verbalen stam is afgeleid, is steeds vrouwelijk: dj.j h3w n fdk.t „ik doe mijn best(?) om het te vernietigen" (Pap. Tur. 73 : 10, vgl. Greene, Fouilles 2: 17). Is misschien de alef bedoeld als ligatuur van den uitgang t met den papyrusrol?

Mjb. De mj\n]b, sedert het M. R. in de texten vermeld '), is een bijl van brons (hm.t, Urk. IV. 891 en Pap. Kahün 15 : 57), zooals uit de afbeeldingen blijkt, die wij door Cairo 28088 (Catal. Général II. 13) en Leiden K 15 kennen. Hij behoort, met het schild (ïkm Sinühe B 134), den dolk (b3gsw) en de tó-knots (Karnak, Gr.-Rom. B. W. B. < 123 », tot de ooriogsbewapening: kf'.n hm.f p3yJn hntj(ï) ds.f m mjnb.f „met eigen hand heeft de koning hun aanvoerder (zie Urk. IV. 691) met zijn strijdbijl gedood" (Champ. Mon. II. 185 = A. Z. 17 [1879], 55 e. v. = Maspero, Et. Archéol. Mythol. IV, blz. 197 e. v.; i8de Dyn.). In onzen papyrus schijnt de mjb te behooren tot de h'.w n r3-c-h-t, waarvan de prins met het oog op zijn buitenlandsche reis werd voorzien (V : i).

Nhs. Deze passage behoort tot de weinige gevallen, waarin het verbum nhsj met een object wordt geconstrueerd. Tot de opgaande zon zegt men: nhs.k ntj m db3.t „gij doet [den doode], die in de sarcophaag rust, ontwaken" (K. Piehl, Inscr. Hiér. I. \\%b)\ vgl. nhs.n.f sdrw m db.t.sn „[god Htp\ door wien ontwaken degenen, die in hun doodkist liggen" (Mar. Dend. IV. 75 = Düm. Geogr. Inschr. I. 100). Als zoodanig bezit het verbum ook passieve vormen: ir.n.j nhs.k „ik heb u laten wekken" (Pap. Leiden 345, R: F. 3:1); tw nhs.tw.f' Iw wn.w wc r-gsQ) „wanneer hij gewekt wordt, staat er iemand naast hem (?)" (Ostracon Florence, 2619 = A. Erman, A. Z. 18 [1880], 96).

Dj m d.t. In lateren tijd wordt de beteekenis van dj m d.t2) gespecialiseerd tot „helpen, bijstaan" (^htoot), terwijl voor „in de hand geven" de constructie met de praepositie r in de plaats treedt (,^€toot). De oude beteekenis is in het Demotisch soms nog te onderkennen: dj mj.t n t-te „iemand den weg in de hand geven, d. w. z. hem tot vertrek aansporen" (Mythos 12: 12). Palaeographisch zijn in dergelijke texten dj = ^ en ti — 2£i zeer lastig van elkaar te onderscheiden, zoodat gevallen, waarin toot het pronomen reflexivum heeft, geen doorslaand argument kunnen opleveren. Is echter het onderwerp van het verbum hnitum niet

') W. Max Muller, Egyptological Researches. ii. 182; A. Gardiner, Notes Sinühe, blz. 52 en 159; H. Grapow, m- Bildungen, blz. 23.

2) Een kleine nuanceering van beteekenis heeft dj d.t m (Acta Orientalia III [1924], blz. 114, ad Pap. Leiden, I 371:3).

Sluiten