Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

174

er op den achtergrond wel degelijk een zekere planmatigheid bestaan, die den inhoud der voorspelling bepaalt. Dit is het, wat de Aegyptenaar shrw-ntr noemde, „de plannen, die de godheid (welke deze dan ook moge zijn) ten opzichte van (r) iemand heeft". Wanneer aan Sinühe de reden van zijn avontuurlijken loopbaan ontgaat, berust hij met een 'iw mj shrw ntr „het was overeenkomstig het plan der godheid" (B 43), waar de Griek zou zeggen 2rs7cv i<m rb yeyeniitivur,1), als uiting van een gevoel eener volkomen, doch onbepaalde afhankelijkheid. Mc.k \r.n.k chcw.k m-hnw shrw-ntr Ir.k „zie, gij hebt uw leven geleefd binnen het plan, dat de godheid ten uwen opzichte gehad heeft"2). De Sai wordt hierbij geheel uitgeschakeld of is langzamerhand met de goddelijke planmatigheid vereenzelvigd, zooals wij dit ook bij den groei van het fee-begrip in de westersche folklore zien gebeuren. De godheid, eveneens onpersoonlijk gedacht en dientengevolge niet met name genoemd3), is de gever van goed en kwaad: „wanneer u een geschenk wordt gegeven, zoo neem het aan, want het is de god, die het u geeft" (tiytf pB ntr ef-dj hp.f hr-r-rk)% Daarom mag men niet gierig zijn, waar het dingen betreft, „die u als een godsgave gewerden"5) en die een geluk zijn, waartoe men persoonlijk niet medewerkte (sp nfr, Mythosglossar n° 764 a). Deze goddelijke macht, die den mensch in zijn leven leidt en de laatste abstractie is van den beschermenden genius, dien wij reeds kennen, staat niet alleen boven den mensch, maar woont in zijn hart en beheerscht zijn karakter: hmw pw ïb sfg.f nb.f n ntt m bBw-ntr „het hart is een roer, dat zijn meester kan tegronde richten door wat van godenmacht komt"0). Dan wordt ten slotte ook het karakter zelf de ntr „god" genoemd, die in 's menschen hart rust: rh.kwj ntr ïmj rmt.t sjBj sw rh.j pfB r pn „ik ken den god, die in de menschen woont; doordat ik hem ken, vermag ik den een van den ander te onderscheiden" '). In dezen text is de ntr derhalve de aard, de moreele waarde, die aan de persoonlijkheid haar individueele natuur verleent. Het lot, dat de godheid beveelt voor de menschheid, richt zich dus naar een vast plan, dat óf door een ongenoemde god-

') Menander, Samia 225; vgl. füjrt iAmtoe toixvtw ynó/ievov fifa* xpoaipéo-sui;, «AAa SseC Tivrfc éj.lww «k v»6v è/i/3*AAiT»« Plutarchus, Timoleon, Cap. 3; voorts: % ri Se! yéveo-Seu ix roB SeoB, Herodotus 9:16; non secus quam divino spiritu tactus Livius V : 43, 8.

*) Ostracon i8de dyn. uit Thebe, edid. H. Sottas, Etudes dédiées a Champolhon, blz. 484, regel 6.

S) Wel met name genoemd b.v.. I Kh. 4:9: Ir ƒ ftJ p3 R1 „(hij verdronk) en voltrok den wil van Rê"; hier is, evenals boven bij I3J, Rê's wil een euphemisme voor den dood; beide zijn dus in wezen gelijk. (Voor den vorm hs.t zie F. Vogelsang, Bauer, blz. 46 en F. L. Griffith, Stories, blz. 109 aanm.)

4) Insinger 11 : 12.

5) M kf3-lb.k hr lhcw hprw n.k m rdw n(r, Prisse 13:8.

•) Urk. Hl: 20: ï'g lett. „doen omslaan", aan het beeld van een boot ontleend. T) Urk. IV : 119.

Sluiten