Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33

In de instructieles heeft de sergeant het over het gedrag van de militairen buiten dienst en geeft ten slotte een voorbeeld:

„Vertel mij eens, Jansen, als jij ziet, dat een van je superieuren in een lokaliteit door burgers wordt mishandeld, wat doe je dan?"

Jansen: (Denkend aan de vorige les):

„Ik leg de rechter hand aan de hoofdbedekking en salueer."

Logisch.

Een soldaat wordt bij een kanon op post gezet. Maar de soldaat voelt niets voor de bewaking van het kanon en gaat een nabijzijnd café binnen. Na een uurtje komt er een luitenant en vraagt hem, hoe hij het in Godsnaam in zijn hoofd heeft gehaald om van zijn post weg te loopen.

„Kijk Luitenant," antwoordt de soldaat, „ik dacht zoo: als er twee mannen komen van de vijandelijke troep, dan kunnen zij dat kanon toch niet wegkrijgen en komen zij met een heele bende, dan kan ik alléén toch niets tegen ze doen, dus ben ik maar weggegaan."

Sergeant: „Wat zie ik daar? Grenadier Peters vraagt verlof om in den Dierentuin te gaan? Neen! dat zal de Kaptein nooit goedvinden. Laten wij liever schrijven: „Grenadier Peters vraagt verlof om een opgesloten familielid te gaan bezoeken."

De Reserve-Luitenant.

De Generaal bezoekt een manoeuvre en grijpt persoonlijk somwijlen in het „gevecht" in. Opééns roept hij tegen een kaptein:

„Kaptein Dijkstra, U bent dood!" in de zeer goede veronderstelling dat de onder den kaptein oefenende reserve-luitenant nu wel de grootste blunders zal maken.

Maar ook de „doode" kaptein kent zijn reserveluitenant en fluistert hem nog vlug de noodzakelijkste dingen toe.

De Generaal bemerkt het en roept nogmaals energiek:

„Kaptein Dijkstra, U bent dood!" „Tot Uw dienst. Generaal," antwoordt de kaptein, „dat was mijn laatste gerochel."

3

Sluiten