Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Vroolijke Joodsche wereld.

„Vader, is dat de maan?"

„Ja, Moossie, dat is de maan."

„Vader!"

„Ja Moossie."

„Vader, wonen d'r menschen op de maan?" „Ja Moossie."

„Wonen er véél menschen op de maan?"

„Ja Moossie, héél veel menschen."

„Vader!"

„Ja Moossie."

„Wonen er méér menschen op de maan dan op -de aarde?"

„Ja zeker, Moossie."

„Vader, wat zal dat een gedrang weze' als het halve maan is!"

„Sampie, ga je hals wasschen, tante Fietje komt." „Maar, moeder, als tante Fietje niet komt, sta ik met mijn gewasschen hals!"

Bij Rothschild kwam een schnorrer (bedelaar) en zei: Meneer de Baron, ik verlang uitdrukkelijk van U, dat U mij helpt. Een man van Uw stand en kapitaal moet mij helpen, hij mag eenvoudig niet neen zeggen."

Rothschild: „Als U op zoo'n toon met mij praat, zult U weinig succes hebben..."

Schnorrer: (kwaad). Nou, als U het schnorren beter kent, dan ik, waarom gaat U dan niet schnorren?"

In Amsterdam heeft een conducteur de gewoonte, om de straten af te roepen, maar zonder de bij-vermelding „Straat".

Zoo roept hij: „Johannes Vermeer..." en een meneer stapt uit. Daarna roept hij „Verhulst" en weer stapt een meneer uit.

Ten slotte komt er een oud vrouwtje naar hem toe en zegt: „Denkt U ook es om Saartje Wijnman...?"

Een auto, met een verschrikkelijk scherpe en onaangename claxon stuift voorbij een Joodsch vrouwtje, dat

Sluiten